| bron http://www.tetech.nl/begripAP.htm |
Enkele Opmerkingen over EM-velden om over na te denken:
- Volgens huidige Wetenschappelijke Inzichten, is alleen
lading (elektronen, protonen) in staat om radiogolven
(Elektro-Magnetische golven) op te wekken. Het stralingsveld
is recht evenredig met de hoeveelheid lading en de
versnelling (vertraging) van de lading. De straling is het
sterkst loodrecht op de versnellingsrichting. In de richting
van de versnelling (of vertraging) is de
stralingsintensiteit 0.
- De energie met betrekking tot EM-golven volgt exact
rechte lijnen. De E- en H-veldcomponenten staan loodrecht op
elkaar, loodrecht op de golfuitbreidingsrichting
(energiestroom) en zijn in tijd gezien in fase.
- Alle bekende verschijnselen met betrekking tot EM-golven
(zoals reflectie, buiging, absorptie, breking, etc), worden
veroorzaakt door lading welke EM-energie absorbeert en
eventueel heruitzendt.
- EM-velden (E- en H-veld) volgen de wetten van
superpositie, vermogensdichtheid doet dit niet. Iemand kan
het resulterend veld van een constructie uitrekenen door de
constructie op te breken in kleine (behapbare) stukjes. Het
totale E- en/of H-veld wordt gevonden door sommatie
(integratie) van de afzonderlijke bijdragen. Deze procedure
wordt uitgevoerd door nagenoeg alle software t.b.v. EM-veld
simulatie (om het stralingsdiagram te berekenen van bekende
stroomverdelingen).
- Ieder deel van een stroomvoerende constructie draagt bij
aan het stralingsdiagram. Echter de bijdrage van een deel
van de constructie kan klein, opbouwend of afbrekend zijn.
Daardoor is er geen bevredigend antwoord op de vraag: "welk
deel van de antenne straalt nu daadwerkelijk?" Het weghalen
van een deel van de constructie (dat schijnbaar weinig
bijdraagt), doet de stroomverdeling veranderen en daarmee
dus ook het stralingsdiagram. Anders gezegd:
constructiedelen waar weinig stroom loopt zijn nodig om in
andere constructiedelen veel stroom te krijgen.
Aanpassen, Aanpassing, To Match, Matching
Aanpassen is het proces van toevoegen van spoelen,
condensatoren of lijnstukken aan een netwerk of antenne,
opdat een bron al zijn vermogen aan het netwerk of antenne
kwijt kan. Anderzijds opdat de antenne of netwerk al zijn
beschikbaar vermogen aan de belasting af kan geven.
Indien de antenne en bron op elkaar aangepast zijn, spreekt
men ook wel van een "conjugate match" of kortweg van
"aanpassing". Dit volgt uit de elektriciteitsleer. Een bron
levert maximaal vermogen, indien de complexe Bronimpedantie
overeen komt met de complex geconjugeerde waarde van de
belastingsimpedantie.
Als Z = a+bj, dan is de geconjugeerde waarde van Z: a-bj.
Men spreekt ook wel van toegevoegd complexe waarde,
aangeduid met "Z*".
In geval van actieve componenten (bipolaire transitor, FET,
tunneldiode, ect) komt optimale vermogensaanpassing niet
overeen met minimale ruisbijdrage van de actieve component.
Aanpassing komt men ook tegen in de werktuigbouw
(mechanische energie-overdracht. Denk aan vernauwende of
verbredende constructies in bijvoorbeeld ultrasoon
lasapparatuur. Akoestische aanpassing in lucht is ook
mogelijk. Ook het gebruik van een hefboom, versnellingsbak
of tandwielkast om een last aan een motor te koppelen is een
vorm van aanpassing.
Adsorptie, Absorptie, Adsorption, Attenuation.
Adsorptie is de eigenschap dat een medium waar een
golfverschijnsel doorheen gaat golfenergie absorbeert.
Meestal wordt de geabsorbeerde energie omgezet in warmte.
Het wordt meestal uitgedrukt in dB/m of dB/km. Adsorptie is
sterk afhankelijk van het medium en de frequentie.
Men komt ook wel absorbtie tegen gedefinieerd als W/m3,
of W/kg onder bepaalde gedefinieerde omstandigheden
(bijvoorbeeld bepaalde veldsterkte in combinatie met
frequentie). Dit ziet men vooral in de richtlijnen welke
handelen over de blootstelling van mensen aan straling.
Terug naar TeTech
Antenne Gain, Winst, Gain.
Antenne gain is de relatieve signaalwinst welke verkregen
wordt met een bepaalde antenne ten opzichte van een bepaalde
referentieantenne. Als referentieantenne wordt de dipool
(index "d") of de isotrope straler gebruikt (index "i").
Antennegain is dimensieloos. Als symbool wordt Gi of Gd
gebruikt. Veelal wordt dB notatie gebruikt en wordt de gain
in dBd of dBi uitgedrukt. Meestal wordt de gain
gespecificeerd voor die richting waarin de antenne maximale
uitstraling heeft.
Een dipool produceert onder gelijke omstandigheden loodrecht
op de dipool een 1.64 maal sterkere vermogensdichtheid als
de vermogensdichtheid t.g.v. een isotrope straler. De gain
van een dipool bedraagt dan ook 1.64 (2.13dBi). Een
elektrisch korte dipool, welke verliesvrij in resonantie is
gebracht, heeft een gain van 1.5 (1.76dBi).
Uitgaande van het Effectief Oppervlak van een antenne geldt:
Gi=Aeff*4pi/lambda2. Zie ook "Directive Gain".
Antenne Factor, Antenna Factor, Antenna
E-field Factor,
AFE.
De Antenne Factor (AFE) legt een verband tussen de
elektrische veldsterkte van het ongestoorde EM veld en de
door de antenne afgegeven spanning aan een bepaalde
impedantie (meestal 50 Ohm). Er geldt:
E = AFE*U (dBV/m = AFE(dB) + dBV). Ofwel AFE = E/U.
Het begrip treft men aan bij meetantennes (bijvoorbeeld voor
EMC metingen). De antenne bezit vaak ingebouwde versterkers
en / of egalisatienetwerken. AFE wordt meestal gegeven in de
vorm van een tabel of grafiek (als functie van de
frequentie).
Verwar de antennefactor niet met 1/heff. De
antennefactor is gedefinieerd voor de onbelaste
uitgangsspanning.
Terug naar TeTech
Antennehoogte, terreinhoogte
De Terreinhoogte is de hoogte van het terrein ten opzichte
van het gemiddeld zeeniveau (MSL = Mean Sea Level). Deze kan
zowel negatief als positief zijn.
De Gemiddelde Terreinhoogte (Average Terrain Elevation) is
de gemiddelde waarde van de terreinhoogten op diverse
plaatsen rondom de antenne (ten opzichte van het gemiddeld
zeeniveau). Hierbij wordt de terreinhoogte op afstanden in
orde kilometers in ogenschouw genomen. In geval van point to
point verbindingen worden vooral terreinhoogtes in de
berekening betrokken welke zich tussen de RX en TX antenne
bevinden. Het resultaat kan zowel negatief als positief
zijn.
Een bergtop heeft in veel gevallen een terreinhoogte welke
ver boven de gemiddelde terreinhoogte uitsteekt.
De hoogte van een antenne is de hoogte van het
stralingscentrum ten opzichte van de terreinhoogte zeer
dicht bij de antenne (maaiveldhoogte). Voor
propagatieberekeningen in het VHF en UHF gebied is deze
hoogtedefinitie minder van belang.
De hoogte boven de gemiddelde terreinhoogte (Eng: Height
Above Average Terrain, HAAT) is de hoogte van het
stralingscentrum van een antenne ten opzichte van de
gemiddelde terreinhoogte van de omgeving.
De hoogte van de antenne boven het gemiddeld zeeniveau wordt
Height Above (Mean) Sea Level genoemd.
Antenneruis, vereiste ontvangergevoeligheid
Een antenne produceert een zekere hoeveelheid ruis (zie ook
"ruis, algemeen deel", "ruisgetal" en "Ruistemperatuur").
Het is commercieel en technisch gezien niet zinvol om een
ontvanger onnodig gevoelig te maken. Indien de eigenruis van
de ontvanger maar minder is dan de antenneruis, is het OK.
Hoeveel ruis een antenne afgeeft aan de ontvanger hangt af
van:
- Verliezen in de antenne (en voedingskabel)
- Aanpassing van de antenne op de ontvanger of
voedingskabel
- Stralingsdiagram van de antenne en waarheen hij
kijkt
- Ontvangstfrequentie (grote invloed)
- Plaats (dichte bebouwing, platte land, Noordpool,
Evenaar, etc)
Bronnen van Antenneruis:
- Thermische ruis: opgewekt door omgeving en verliezen
in antennes en kabels, behoorlijk vlak over het gehele
radiospectrum, voor aardse HF en VHF verbindingen
meestal geen dominante factor
- Atmosferische ruis: veroorzaakt door statische
ontladingen, beneden 10 MHz dominante factor, ruis neemt
toe bij afnemende frequentie
- Galactische ruis: afkomstig uit de ruimte, beneden
grofweg 100 MHz dominante factor, neemt toe bij
afnemende frequentie
- Man-made noise: afkomstig van menselijke activiteit
(elektronica, elektrotechnische installaties), in
bebouwde gebieden dé allesoverheersende factor tot
voorbij 100 MHz, in het bijzonder binnen gebouwen, neemt
toe bij afnemende frequentie
Grove indicatie voor Antenneruistemperatuur voor full-size
antennes (K=Kelvin):
1 MHz: 100M K (dorp), 1G K (stad)
10 MHz: 1M K (dorp), 10M K (stad)
100 MHz: 400 .. 10k K
1 GHz: 20 K (antenne kijkt in ruimte), 200K (antenne ziet
aarde)
10 GHz: 5 K (antenne kijkt in de ruimte), 100K (antenne ziet
aarde)
100 GHz: 50 .. 300 K
Indien sprake is van elektrisch kleine antennes, dient men
te bepalen hoeveel de antenneruis afneemt (en hoeveel de
ontvanger gevoeliger dient te zijn).
Het ruisvermogen in bandbreedte B kan men berekenen met:
Pnoise = k*T*B
De hoogste gevoeligheid van een ontvanger (en laagste
antenne- en transmissieverliezen) is vereist voor ontvangers
in het 0.3 .. 10 GHz gebied waarbij de antenne naar de
ruimte kijkt (satellietverbindingen, radar). In het MF en HF
gebied in combinatie met grote antennes, kan men beter
optimaliseren op goed grootsignaal gedrag in plaats van laag
ruisgetal.
Apertuurfunctie, Aperture Function
Het stralingsdiagram van een antenne welke haaks op zijn
oppervlak uitstraalt, wordt volledig bepaald door hoe de
veldsterkte zeer dicht bij de antenne als functie van de
plek op de antenne verloopt. Het veldsterkte verloop als
functie van de plaats op de antenne, wordt de
apertuurfunctie genoemd.
Diegenen die thuis zijn in de Z en Fouriertransformatie
kunnen met een kleine aanpassing aan deze transformaties het
stralingsdiagram uitrekenen van de antenne.
Een vlakke (uniforme) apertuurfunctie (bijvoorbeeld bij een
array waarbij alle elementen evenveel vermogen toegevoerd
krijgen), geeft de hoogste gain, een kleine openingshoek,
doch zeer sterke zijlobben. Een enigszins afgeronde
apertuurfunctie (waarbij de elementen meer naar de rand van
de antenne minder vermogen toegevoerd krijgen), geeft lagere
gain, een grotere openingshoek, doch bij goed ontwerp de
minste zijlobben.
In straal- en satellietverbindingen worden hoge eisen
gesteld aan het zijlobbengedrag. Dit om hergebruik van
(schaarse) frequenties zo efficiënt mogelijk te maken.
Terug naar TeTech
Array's, Arrays
Array's zijn meerdere gelijksoortige antennes welke
gekoppeld zijn aan een bron of ontvanger. Door het koppelen
van meerde antennes kan men gain maken en de RF energie een
bepaalde richting in sturen. De gain is ongeveer recht
evenredig met het aantal array-elementen. Dit houdt in dat
als je de gain wenst te verdubbelen (verhoging met 3 dB), je
het aantal elementen eveneens dient te verdubbelen. Als de
elementen echter te dicht bij elkaar staan, is de gain
minder
Men kan de antenne(elementen) waaruit het array opgebouwd is
in elkaars verlengde plaatsen, doch ook in een vlak
(bijvoorbeeld een 4 bij 4 array dat bestaat uit 16 losse
antenne-elementen).
Door de antennes waaruit het array opgebouwd is (de
zogenaamde array-elementen) met verschillende (elektronisch
variabele) fasen te voeden, kan men de richting van de
stralenbundel variëren (beam steering, phased array). Deze
techniek wordt in veel moderne radarsystemen toegepast. De
verdeling van het zendvermogen over de array-elementen is
van grote invloed op de sterkte van de zijlobben in het
stralingsdiagram van het array. Streven naar maximale gain,
geeft (helaas) ook sterke zijlobben.
Voor wat betreft array's waarbij de fase tussen de
array-elementen (afzonderlijke antennes) niet gevarieerd kan
worden, onderscheidt men:
"broadside arrays", deze stralen loodrecht op het vlak
waarin zich de antenne-elementen bevinden
"end-fire arrays", "longside arrays", deze stralen in de
lengte richting van de constructie (denk bijvoorbeeld aan de
yagi-uda antenna).
Voorts komt men de term "stacked array" vaak tegen. Meestal
gaat het dan om verticaal gestapelde antennes. Een verticaal
opgesteld array heeft tot gevolg dat de openingshoek in het
verticale vlak afneemt en in het horizontale vlak juist
niet. Deze techniek wordt veelvuldig gebruikt in de mobiele
telefonie, radio- en televisieomroep. Men wil zo veel
mogelijk vermogen in het horizontale vlak uitstralen.
AWGN, Added White Gaussian Noise
In veel gevallen is de sterkte en verdeling van ruis in een
systeem onafhankelijk van het signaal (dat bijvoorbeeld
versterkt wordt). In dat geval kan men de ruis zien als een
ongewenst signaal dat schijnbaar opgeteld wordt bij het
gewenste signaal.
Indien de ruis nu ook nog frequentievlak is (in de gewenste
frequentieband) en Gaussisch verdeeld is, spreekt men van
toegevoegde witte gaussische ruis (Added White Gaussian
Noise, AWGN).
Indien sprake is van klasse A versterking en de uitsturing
beperkt is, is de in de componenten opgewekte ruis (zowel
thermische ruis (thermal, johnson noise) als hagelruis (shot
noise)), te beschouwen als AWGN.
Indien sprake is van sterk niet lineair bedrijf (klasse B,
C) is de stroomruis (hagelruis) praktisch gezien wel
Gaussisch en Wit, maar niet constant (dus formeel geen
AWGN). Ook photon shot noise is niet AWGN. De sterkte van
deze ruis (Pnoise) is namelijk recht evenredig met
sqrt(Psignal).
Axial Ratio, Tilt Angle.
Zie ook polarisatie.
De axial ratio is de verhouding tussen het zwakste E-veld in
een bepaalde polarisatierichting en die van het sterkte
E-veld in een bepaalde richting (loodrecht op de
golfuitbreidingsrichting). De axial ratio is altijd 1 of
kleiner. De polarisatiehoek waarbij maximale veldsterkte
optreedt, staat haaks op de polarisatiehoek waarbij minimale
veldsterkte optreedt.
Een zuiver verticaal gepolariseerde antenne produceert een
verticaal gepolariseerd veld. Een lineair gepolariseerde
ontvangstantenne (bijv. dipool) dient men verticaal te
plaatsen voor maximale ontvangst. Bij horizontale
opstelling, is de ontvangst nul. De axial ratio bedraagt dan
0. Zou men de zendantenne iets scheef zetten, dan zal de RX
dipool slechts zijn maximale spanning afgeven indien deze
ook iets scheef staat. De axial ratio blijft echter gelijk.
In geval van een zuiver circulair gepolariseerd veld is de
door een lineair gepolariseerde RX antenne (bijvoorbeeld
dipool) afgegeven spanning onafhankelijk van de
polarisatierichting (mits de antenne goed uitgericht
blijft). De axial ratio bedraagt dan 1.
Veel antennes hebben een gemengde polarisatie, in feite een
sommatie van een lineair gepolariseerd veld en een
circulaire veld. De axial ratio is dan kleiner dan 1.
De polarisatierichting waarbij het E-veld maximaal is, wordt
de hoofdas genoemd (Eng: "major axis"). De hoek waarbij het
maximum optreedt wordt de "Tilt Angle" genoemd. Bij een
horizontaal opgestelde dipool is de tilt angle 0 graden.
Terug naar TeTech
Balun, Balun Transformer.
Een Balun is een component welke tot doel heeft om een niet
gebalanceerde RF kabel (coaxiale kabel) aan een
gebalanceerde kabel of belasting te koppelen. Het woord
Balun is afkomtig van "BALanced to UNbalanced transformer"
(of omgekeerd).
In geval van antennes wordt de Balun gebruikt om vanuit een
coaxiale kabel (bijv 50 of 75 Ohm) een dipool te voeden. De
dipool kan natuurlijk onderdeel uitmaken van een Yagi of
dipool array. Een balun kan tevens een impedantie
transformatie uitvoeren (om bijvoorbeeld een 75 Ohm coaxiale
kabel op een 300 Ohm gevouwen halve golf dipool aan te
sluiten).
Het weglaten van de balun heeft meestal tot gevolg dat
sterke common mode stroom in de kabelmantel ontstaat (al is
de lijn goed afgesloten). Deze kunnen tot storing in
apparatuur leiden en omgekeerd kan storing, welke op de
kabel instraalt, via de kabelmantel de antenne bereiken.
Er bestaan bijzonder veel uitvoeringen van de Balun.
Breedband Baluns zijn meestal als transformator op een
ferrietkern uitgevoerd. Bijzonder breedbandige Baluns
(frequentie bereik in orde van 1:50 of meer) zijn meestal
als "transmission line" transformator uitgevoerd. Hierbij
wordt het kernmateriaal niet gebruikt om de RF energie over
te dragen, doch slechts om de gebalanceerde zijde te
scheiden van de niet gebalanceerde zijde. LET OP: Dit type
balun biedt geen galvanische scheiding. Zie ook:
Gebruik van ferrietkernen in balun
transformatoren (PDF, 200kB)
Met het toenemen van de verkrijgbaarheid van ferriet
materiaal (desnoods gesloopt uit oude computerkabels) kan de
zelfbouwer kwalitatief goede baluns maken.
Smalbandige Baluns worden meestal gemaakt op basis van
resonante stukken voedingslijn of LC resonantiekringen.
Globaal gezien kan men twee typen baluns onderscheiden:
Baluns welke de uitgang van de balun zwevend maken ten
opzichte van de massa van de ongebalanceerde ingang
(zogenaamde "current mode balun"). Het maakt hierbij niet
uit of de gebalanceerde zijde asymmetrisch of symmetrisch
belast wordt. Dit type balun wordt ook wel
"mantelstroomfilter" genoemd.
Baluns waarbij de twee uitgangsspanningen symmetrisch zijn
ten opzichte van de massa van de ongebalanceerde zijde. Denk
hierbij aan een transformator met middenaftakking welke aan
massa vast zit. Hierbij moet, om common mode stroom te
voorkomen, de belasting symmetrisch (gebalanceerd) zijn.
Breking, Refractie, Refraction.
Breking is het veranderen van de uitbreidingsrichting van
golven ten gevolge van een verandering van de
karakteristieke impedantie van het medium waar de golf door
heen gaat. Vergelijk dit met de richtingsverandering van een
lichtstraal welke door water of glas gaat. Een straal welke
loodrecht op een materiaal met andere eigenschappen invalt,
passeert zonder richtingsverandering.
In de regel geldt, hoe sterker de verandering van
golfimpedantie (of brekingsindex), hoe sterker de
richtingsverandering. Echter het percentage van de
golfenergie welke het medium binnendringt neemt dan af (het
aandeel reflectie neemt dan sterk toe).
De ingaande golf wordt in het engels met "Incident Wave"
aangeduid. De golf welke het medium (bijvoorbeeld glas)
ingaat, wordt "Transmitted Wave" genoemd. De gereflecteerde
golf wordt "Reflected Wave" genoemd. Dit is te vergelijken
met twee coaxiale kabels met verschillende impedanties welke
op elkaar aangesloten zijn. Een bron stuurt een golf de
kabel in (incident wave) Een gedeelte van de energie wordt
op de overgang tussen de twee kabels gereflecteerd terug de
kabel in, richting de zender (reflected wave). Het
resterende deel gaat de kabel met andere impedantie in
(transmitted wave).
Om daadwerkelijk van breking te spreken, dienen de
afmetingen van het medium waardoor de breking plaats vindt,
vele malen groter te zijn dan de golflengte van de
invallende straling.
Breking is er in grote mate verantwoordelijk voor dat de
radiohorizon iets verder ligt dan op grond van een rechte
lijn tussen de twee antennes te verwachten is (brekingsindex
neemt af met toenemende hoogte). Hier is echter sprake van
een richtingsverandering welke plaats vindt over een groot
gebied (veel groter dan de golflengte). Dit wordt vaak met
het begrip "afbuigen" aangeduid, in het engels "deflection".
Breking voldoet aan de Wet van Snellius
ninc*sin(thetainc) = ntr*sin(thetatr).
Om de sterkte van de doorgaande golf (transmitted wave) en
de sterkte van de gereflecteerde golf (reflected wave) te
kunnen bepalen, dient men de "Fresnelvergelijkingen" te
gebruiken. De sterkte van de reflectie is sterk afhankelijk
van de polarisatie van de ingaande golf (incident wave). LET
OP: Hoek theta is gerekend vanaf de normaal op het
scheidingsvlak tussen de twee verschillende materialen.
thetainc = 0 betekent dus dat de ingaande straal
(incident ray) loodrecht op het scheidingsvlak invalt.
Bij overgangen (interfaces) naar een minder dicht medium,
treedt boven een bepaalde thetainc volledige
interne reflectie op. Dit wordt de kritieke hoek genoemd.
Terug naar TeTech
Brekingsindex, Refractive Index.
De brekingsindex is de verhouding tussen de
golfvoortplantingssnelheid in vacuüm en de
golfvoortplantingssnelheid in het betreffende medium. Alle
isolerende materialen met een relatieve diëlectrische
constante groter dan 1, hebben een brekingsindex van groter
dan 1 (dus de snelheid in die materialen ligt beneden die
van de lichtsnelheid). Het symbool is n. n is dimensieloos.
De uitbreidingsnelheid is zowel afhankelijk van de
magnetische als diëlectrische eigenschappen, dus:
n = sqrt(rel.dielectr.const*rel.permeabiliteit). In principe
kan men voor geluid ook een brekingsindex definiëren.
Geïoniseerde gassen kunnen een brekingsindex kleiner dan 1
hebben (plasma's en geïoniseerde luchtlagen in de
ionosfeer).
Indien de brekingsindex slechts geleidelijk verloopt, is er
geen sprake van een abrupte richtingsverandering, doch legt
de straal een gebogen kromme af. Een mooi voorbeeld is HF
propagatie over grote afstanden. In de volksmond wordt dit
aangeduid als ionosferische reflectie. T.g.v. van de
ionisatie treedt in sommige luchtlagen een afname van de
brekingsindex op bij toenemende hoogte. Golven hebben de
neiging om af te buigen naar die plek waar de brekingsindex
het hoogst is (net als in bepaalde typen glasvezel). Dit
zorgt ervoor dat de golven teruggebogen worden naar de
aarde. Eigenlijk is hier dus sprake van ionosferische
breking.
Met toenemende hoogte neemt de brekingsindex van lucht iets
af (lagere druk, minder vocht en lucht per kubieke meter).
Dit zorgt ervoor dat radiogolven gemiddeld genomen altijd
iets naar de aarde toe gebogen worden en dus tot iets
voorbij de horizon kunnen reiken.
Omdat de brekingsindex van luchtlagen praktisch gelijk is
aan één, definieert men N.
N = (n-1)*106.
Brekingsindex gradient,
Het meebuigen van radiogolven met het aardoppervlak, wordt
in grote mate bepaald door de afname van de brekingsindex
bij toenemende hoogte.
Dit wordt aangegeven als dN/dh (afgeleide van N als functie
van de hoogte). Onder gemiddelde omstandigheden bedraagt
deze -39.2/km. Bij een waarde van lager dan -157/km is de
kromming van het stralenpad gelijk of kleiner dan de
kromming van de aarde. De golven buigen dan naar de aarde
toe. Zie ook "ducting".
In dit verband komt men ook nog het begrip "Refractive
Modified Index" tegen.
Brewster Angle, Pseudo Brewster Angle
Verticaal gepolariseerde golven (parallel polarization),
welke invallen op een horizontaal vlak, gedragen zich
vreemd. Onder een specifieke hoek verdwijnt alle golfenergie
via breking in het verliesvrij medium en vindt geen
reflectie plaats). De hoek waaronder dit plaats vindt heet
de "Brewster Angle". Voor horizontaal gepolariseerde golven
(normal polarization) bestaat geen brewster angle.
De benaming "Polarizing Angle" is heel toepasselijk. Indien
onder de brewster angle gelijktijdig horizontaal en
verticaal gepolariseerde golven invallen, worden alleen de
horizontaal gepolariseerde golven gereflecteerd (die blijven
over). De verticale gepolariseerde golven verdwijnen
volledig in het medium.
In geval van oppervlakken welke niet verliesvrij zijn, zoals
de aarde, is er geen hoek te vinden waar de reflectie nul
wordt. Onder "Pseudo Brewster Angle" wordt die hoek verstaan
waarbij de reflectie van verticaal gepolariseerde golven
minimaal is.
Hoe beter de grondgeleiding en hoe lager de frequentie, hoe
kleiner de (pseudo) Brewster Angle (elevatie). Voor golven
welke onder een veel kleinere hoek ten opzichte van het
aardoppervlak de aarde treffen, ondervindt de gereflecteerde
golf een extra 180 graden fasedraaiing. De golf wordt
nagenoeg 100% gereflecteerd. LET OP: In de natuurkunde
gelden andere definities met betrekking tot invalshoeken.
Terug naar TeTech
Buiging, Afbuiging, Deflection
Buiging of afbuiging is de eigenschap waarbij golven
geleidelijk van richting veranderen over een afstand veel
groter dan de golflengte. De uitbreidingsrichting van de
golven maakt als het ware een bocht in plaats van een
scherpe knik zoals bij een overgang naar een ander medium
(bijv van lucht naar glas).
Afbuiging treedt op in geval van geleidelijke
brekingsindexveranderingen als functie van de plaats (zoals
in de ionosfeer en atmosfeer). Ook rondom voorwerpen welke
veel groter dan de golflengte zijn kan afbuiging van golven
ontstaan. In het engels spreekt men van "deflection" (net
zoals in het geval van de afbuigspoelen van een
elektronenstraalbuis (beeldbuis), de zogenaamde "deflection
coils" of "afbuigspoelen".
-3dB Bundelbreedte, openingshoek
De bundelbreedte van een antenne is het aantal graden tussen
de punten in het stralingsdiagram waarbij de gain tot 3 dB
beneden het maximum gedaald is. Onder bundelbreedte wordt in
de regel dus niet verstaan de breedte van de bundel in
meters waarbij de veldsterkte met 3 dB gedaald is.
Men onderscheidt bundelbreedte in het verticale en
horizontale vlak. Er geldt: brede doch lage antennes welke
veel groter dan de golflengte zijn, hebben een kleine
horizontale openingshoek en een grotere verticale
openingshoek. Grofweg geldt:
BWhor=70*lambda/breedte, BWver = 70*lambda/hoogte.
Breedte=breedte van de antenne in m, Hoogte=hoogte van de
antenne in m (niet te verwarren met de opstelhoogte). Zowel
de breedte als de hoogte dient veel groter dan de golflengte
te zijn.
Gi=40k/(BWhor*BWver) BWhor en BWver in graden (geen
radialen) Gi=100/BWver voor rondomstralende
antennes ("omni-directional antennas")
De genoemde constanten zijn sterk afhankelijk van het
stralingsdiagram en eventuele verliezen in de antenne en
dienen slechts als grove indicatie.
Terug naar TeTech
Capacitieve Antenne, Capacitive Antenna
De capacitieve antenne is de tegenhanger van de inductieve
antenne. Het is een elektrisch gezien kleine antenne. Hij
dient een overwegend elektrisch veld op te wekken (in het
nabije veld gebied). In geval van een ontvangstantenne dient
hij voornamelijk gevoelig te zijn voor het E-veld.
Zij worden onder andere toegepast in systemen voor
capacitieve verhitting (lijmen, drogen, etc). In geval van
zendantennes is meestal een spoel noodzakelijk om het
capacitieve gedrag van de antenne te compenseren. Men komt
capacitieve antennes veelvuldig tegen als meetantenne in EMC
laboratoria.
Terug naar TeTech
Coherentielengte, Coherence length.
De coherentielengte is de maximale afstand tussen twee
punten langs een stralenbundel waarbij er nog een goede
relatie bestaat tussen de momentane fase van de bundel in
beide punten. Anders gezegd, er is nog duidelijk herkenbaar
dat de golven van dezelfde bron afkomstig zijn. Men komt het
begrip overal tegen waar men met golven werkt. Over
afstanden binnen de correlatielengte kan men de wetten van
de interferentie toepassen (vectorische sommatie).
Boven de correlatielengte zal het faseverschil tussen de
golven in beide punten niet meer constant zijn doch als
functie van de tijd variëren en lijkt het of de golven van
verschillende bronnen afkomstig zijn. Opgemerkt dient te
worden dat het verslechteren van de faserelatie geleidelijk
verloopt met toenemende afstand.
Hoe smalbandiger in frequentie een signaal is, hoe groter de
coherentielengte indien dit signaal via een antenne
uitgezonden wordt. De coherentielengte bedraagt in orde van
0.06*c/BW meter (BW is bandbreedte van het golfverschijnsel
in Hz, c=golfvoortplantingssnelheid). In dit geval bedraagt
de variatie in faseverschuiving minder dan 22.5 graden.
Coherentiebandbreedte
Ten gevolge van allerlei propagatieaspecten (vooral
reflecties) is de overdracht tussen een RX en TX antenne
verre van vlak in het frequentiedomein (zie ook fading). Ten
gevolge van het bewegen van objecten, de zender en, of de
ontvanger is de overdracht ook nog eens tijdafhankelijk
(tijdvariant).
Als we tijdvariantie even buiten beschouwing laten, zal bij
het laten toenemen van de bandbreedte van een zendsignaal,
dat via het draadloos communicatiekanaal de ingang van de
testontvanger bereikt, het ontvangen signaal niet meer
gelijkvormig zijn met het uitgezonden signaal (zelfs al
zouden de TX en RX antennes oneindig breedbandig zijn).
Anders gezegd bij toenemende bandbreedte neemt de correlatie
tussen het in- en uitgangssignaal af. De bandbreedte van het
TX signaal waarbij de correlatie tussen het in- en
uitgangssignaal afgenomen is tot 0.5 wordt de
coherentiebandbreedte van een communicatiekanaal genoemd.
Het zegt iets over met welke maximale datasnelheid men
zonder het gebruik van ingewikkelde technieken een draadloos
communicatiekanaal kan benutten.
Dit betekent niet dat transmissie met een grotere
bandbreedte dan de coherentiebandbreedte onmogelijk is (het
kost alleen meer moeite om wel communicatie te plegen). Met
de opkomst van realtime digitale signaalbewerking, kan de
(lineaire) vervorming van een communicatiekanaal zeer sterk
gereduceerd worden. Zowel de basisstations van het GSM net
als de GSM toestellen zelf beschikken over snelle
signaalbewerking waarmee de lineaire vervorming van het
communicatiekanaal (welke tijdvariant is) gereduceerd wordt,
opdat communicatie mogelijk is in gebieden met sterke
multipad effecten. Zie ook "delay spread".
Terug naar TeTech
Dampkring.
De dampkring is de luchtlaag welke zich om de aarde bevindt.
De dampkring is van grote invloed op radiocommunicatie
voorbij de radiohorizon (RH=4120*Sqrt(hoogte)). De dampkring
zorgt er reeds voor dat de radiohorizon verder weg ligt dan
de optische horizon (t.g.v. afbuigen van radiogolven
richting de aarde). Met toenemende hoogte, neemt de
luchtdruk en dichtheid af. Enkele getallen: 0km: 101.3 kPa,
12 km: 19kPa, 50km: 1kPa. Als u op 12 km hoogte in een
vliegtuig zit, bevindt 80 procent van de aardatmosfeer zich
reeds beneden u. De dampkring is slechts een dunne laag!
Men onderscheidt de volgende lagen (in literatuur worden
deze namen vaak gebruikt): De troposfeer (0-13km hoogte),
hierin speelt zich het weer af (wolken komen in de regel
niet boven 13 km). De stratosfeer (13-45km hoogte), de
Mesosfeer (45-90km hoogte), In deze laag vindt reeds
ionisatie plaats (de D laag), welke van invloed is op
radiocommunicatie op MF en HF. De ionosfeer (90 tot 500km),
hier is de ionisatiegraad ten gevolge van zonnestraling
hoog. Men onderscheidt een E, Es, F, F1 en F2 laag. In deze
lagen (waarvan de hoogte varieert) is de ionisatie nog
sterker. De diëlectrische eigenschappen van deze lagen maken
wereldwijde communicatie mogelijk op HF (3-30 MHz).
Dellinger Fade Out.
Een "Dillenger Fade Out" (genoemd naar J.H. Dellinger) is
het verschijnsel dat soms HF communicatie via de ionosfeer
gedurende maximaal enkele uren onmogelijk is. Het effect
wordt veroorzaakt door sterke zonnevlammen (Solar Flares).
De hoeveelheid zonnestraling welke de aarde bereikt is dan
dusdanig hoog dat zelfs de D laag (50-90km hoogte) bijzonder
sterk geïoniseerd wordt, waardoor deze praktisch alle HF
straling absorbeert welke via de D laag in de hogere lagen
terecht moet komen. Er is dan sprake van een bijzonder hoger
LUF (Lowest Usable Frequency). Rond de evenaar is het effect
het sterkst (de zonnestraling valt dan meer loodrecht in).
Delay spread, time delay spread
Ten gevolge van multipad effecten bestaat het ontvangen
signaal uit de sommatie van de diverse golffronten welke via
reflectie, diffractie of rechtstreeks de RX antenne
bereiken.
Indien men een in de tijd gezien smalle puls uitzendt (bijv
0.1 us breed op een frequentie van 1 GHz, -deze bevat 100 RF
perioden-), dan zullen de golffronten ten gevolge van de
verschillende weglengten op verschillende tijdstippen
aankomen. Uit de (breedbandige) ontvanger verschijnt na AM
demodulatie geen mooie puls van 0.1 us breed, doch op zijn
minst een bredere. Vaak zijn de afzonderlijke pulsen nog te
herkennen (als een soort echo's) en kan men de
weglengteverschillen bepalen. De breedte van de ontvangen
puls bepaalt in geval van traditionele communicatiesystemen
de maximale baudrate (ook wel signaleringssnelheid genoemd).
Indien de signaleringssnelheid te hoog is, verbreden de bits
en gaan naastliggende bits elkaar beïnvloeden (Inter Symbol
Interference, ISI)
Delay spread is goed te vergelijken met acoustische nagalm.
Een klap met de handen, klinkt in een lege kerk of grote hal
nog lang door (is ook een vorm van pulsverbreding).
het verbreden van een in de tijd weergegeven signaal ten
gevolge van multipad effecten wordt "delay spread" genoemd.
Delay spread wordt vaak aangegeven als de RMS breedte van de
ontvangen puls in seconden. De uigezonden puls dient veel
smaller te zijn dan de gemeten RMS pulsbreedte.
Delay spread legt beperkingen op aan de maximale baudrate
voor radiofrequentie communicatiekanalen welke het zonder
"Channel Equalizer" moeten stellen. Praktisch alle moderne
mobiele wide band datatransmissiesystemen welke draadloos
grote afstanden dienen te overbruggen, bezitten "Channel
Equalizers", zij verwijderen de echo's en maken de
overdracht van het draadloos transmissiekanaal voldoende
vlak.
Delay spread treedt altijd samen op met (frequency
selective) fading. Of men van één of beide fenomenen last
heeft, wordt sterk bepaald door de gebruikte
modulatiemethode, bandbreedte en gewenste bitrate. Spread
Spectrum in combinatie met Echo Cancellation en Wide Band
COFDM (Coded Orthogonal Frequency Division Multiplex), Zijn
modulatietechnieken welke zowel de nadelige effecten van
Delay Spread als Frequency Selective Fading sterk kunnen
verminderen. DAB-T (digitale aardse radio) en DVB-T
(digitale aardse televisie, in Nederland "Digitenne") maken
gebruik van COFDM.
Terug naar TeTech
Diëlectrica, isolerende materialen, Dielectrics.
Diëlectrica of Diëlectrische materialen zijn materialen
waarvan de weerstand zeer hoog is. Denk aan vele
kunststoffen en glas en keramische materialen.
In het geval van Elektro Magnetische Velden is een nadere
omschrijving mogelijk. Indien de capacitieve stroomdichtheid
door het medium (2*pi*f*E*epsilon) veel groter is dan
stroomdichtheid t.g.v. geleiding (E*soort.geleid.), dan
spreekt men eveneens van (niet ideaal) diëlectrisch
materiaal. Of een materiaal zich als een (slechte) geleider
of als diëlectricum gedraagt, is dus mede afhankelijk van de
frequentie.
Zo gedraagt een zak vol met onderling goed geïsoleerde
metalen bolletjes zich van buiten gezien ook als een
diëlectrisch materiaal (met een diëlectrische constante van
zeker groter dan 1).
Diëlectrica opgebouwd uit onderling geïsoleerde metalen
delen (welke veel kleiner dan de golflengte zijn) worden
kunstmatige dielectrica genoemd (Eng Artificial
Dielectrics). Men kan daarmee bijvoorbeeld een EM
golfverschijnsel vertragen en zodoende de richting van de
straling doen veranderen.
Diëlectrica worden meestal gespecificeerd aan de hand van:
hun doorslagspanning, diëlectrische constante, verlieshoek
of Q-factor, specifieke/soortelijke weerstand, remanente
elektrische flux, hysteresislus (zelden), etc
Men onderscheidt op moleculair niveau 3 soorten polarisatie.
De eigenschappen van deze polarisatieprocessen zijn
frequentieafhankelijk. Afgezien van moleculaire resonantie,
neemt bij toenemende frequentie de diëlectrische constantie
af. Dit is heel goed te merken als men kijkt naar de
verschillen in epsilon voor isolatiematerialen bij
radiofrequenties en voor licht (water: voor RF in orde van
80, voor licht in orde van 1.7). Zelfs op radiofrequenties
is voor veel materialen al een afname te merken bij
toenemende frequenties.
Voor lucht bedraagt de relatieve diëlectrische constante
1.00056 (273K, 101.3kPa). Bij toename van het
vochtpercentage in de lucht, neemt deze waarde toe (dus
radiogolven hebben dan een iets lagere
voortplantingssnelheid).
Voor de voortplantingssnelheid van een EM golf in een
diëlectricum geldt c=v=c0/sqrt(relatieve
epsilon).
Terug naar TeTech
Diëlectrische Constante, Dielectric Constant
De dielectrische constante is een materiaalconstante welke
een maat is voor de polarisatie bij een zeker E-veld in het
materiaal. Meestal wordt de "relatieve dielectrische
constante" of "relative permittivity" gebruikt (epsr).
Net als voor het magnetisch veld geldt:
B = mu0*mur*H,
geldt voor het elektrisch veld:
D = eps0*epsr*E
D = doorschuiving (electric displacement) in As/m2
De dielectrische constante heeft invloed op diverse
antennezaken, zoals de capaciteit van een condensator, de
voortplantingssnelheid in een medium, de demping en de
karakteristieke impedantie van een medium.
Net als bij magnetische materialen kan men spreken van een
tan(delta). Indien in het dielectrisch materiaal verliezen
optreden, is de dielectrische constante complex. Er geldt:
eps = eps' - j*eps"
tan(delta) = Loss factor = eps"/eps'
Indien het materiaal ook geleiding heeft
(geleidingsverliezen), kan men dit geleidingsverlies
verdisconteren in epsilon door:
eps = eps' - j*sg/w
sg = soortelijke geleiding, w = radiaalfrequentie (2*pi*f)
Zodra er sprake is van verlies of geleiding, ontstaat een
complexe epsilon. Zeer goede geleiders hebben een nagenoeg
imaginaire epsilon. Deze complexe epsilon kan men vervolgens
gebruiken in de formules voor de karakteristieke impedantie
en de bepaling van de voortplantingsconstante. Men krijgt
dan een complexe karakteristieke impedantie en complexe
voortplantingsconstante (dus verzwakking). Zie ook:
Directe Golf, Direct Wave.
De directe golf is die golf welke vertrekt vanaf de zender
en rechtstreeks, zonder reflectie of ander
propagatiemechanisme de ontvanger bereikt (ook wel direct
zicht golf genoemd). Enige kromming van het pad van de
directe golf ten gevolge van de brekingsindex van lucht
wordt hierbij niet als propagatiemechanisme gezien. In VHF
communicatie wordt de directe golf sterk uitgedoofd door de
op de aarde gereflecteerde golf (de aarde bevindt zich
nagenoeg altijd binnen de eerste "Fresnel zone".
Terug naar TeTech
Directive Gain.
Dat een bepaalde antenne meer signaal produceert dan een
isotrope antenne onder gelijke omstandigheden, komt doordat
de antenne richtwerking heeft. Indien de antenne al het
elektrisch toegevoerde vermogen omzet in EM energie, zal
stralingsvermindering in een bepaalde richting altijd tot
vermeerdering in een ander richting leiden (energie gaat
niet verloren).
Gain van een antenne ontstaat dus door het bundelen van de
straling. De gain ten gevolge van het bundelen wordt
"Directive Gain" genoemd. Een antenne zal echter niet alle
elektrische energie omzetten in de gewenste EM energie. Een
gedeelte gaat verloren in warmte. De Daadwerkelijke gain
ligt daardoor altijd iets lager dan de gain welke op grond
van het stralingsdiagram verwacht wordt. Er geld dan ook:
Antenn.Gain = Directive.gain - verliezen (alle waarden in
dB's)
Voor antennes welke geen ohmse of diëlectrische verliezen
hebben geldt dat de Directive Gain gelijk is aan de overall
Gain (Antenne Gain).
Divergentie, Diffractie, Diffraction.
Divergentie (Diffractie) bij golven is het verschijnsel dat
golven de neiging hebben om van richting te veranderen
indien de golven obstakels tegen komen. Een gedeelte van de
golven buigt in de richting van de schaduw. Het wordt niet
veroorzaakt door het medium of door reflectie (dus werkt ook
in het vacuüm).
Hoe groter de golflengte (dus lage frequentie), hoe beter de
golven om een voorwerp kunnen buigen. Licht heeft een
golflengte in orde van 600 nm. Daardoor is in het dagelijks
leven weinig te merken van diffractie. Diffractie van
geluidsgolven kan men zelf uitproberen. Men kan met elkaar
praten zonder dat men elkaar kan zien of dat de golven via
(herhaalde) reflectie van mond tot oor gaan.
Men onderscheid diffractie in het nabije veld
(overgangsveld, Fresnel Diffractie) en diffractie in het
verre veld (Fraunhofer Diffractie).
Sterke diffractie treedt op indien golven een vlak treffen
(of door een opening gaan) waarvan de afmetingen niet meer
veel groter zijn dan de golflengte. Een spiegelend geleidend
vlak van 10cm bij 10cm is voor lichtgolven bijzonder groot.
Een luchtbundel welke dit vlak treft, wordt dan ook keurig
als luchtbundel gereflecteerd (golflengte licht in orde van
600 nm). Terwijl radiostraling met een golflengte van 30cm
(1000 MHz) door dit vlak naar alle kanten heruitgezonden
wordt. Ondanks dat het ook voor deze golven een perfecte
reflector is.
Begrippen als reflectie en breking (refractie) zijn dan ook
alleen van praktisch nut indien de afmetingen van het
grensvalk tussen de twee media, veel groter zijn dan de
golflengte van de invallende straling.
Antennes of ander constructies welke tot doel hebben een
gerichte bundel te vormen, dienen altijd veel groter dan de
golflengte te zijn. Hoe gerichter de bundel dient te zijn,
hoe groter de vereiste constructie. Ook voor licht gaat dit
op. Een kleine lens, hoe goed hij ook is, produceert een
minder scherp beeld dan een grote lens (diffraction limited
resolution). De golven waaien meer uit waardoor het beeld
minder scherp is.
Dat radiogolven ook voorbij de radiohorizon nog te ontvangen
zijn, wordt mede veroorzaakt door het divergeren van
radiogolven (de aarde is het obstakel). Hoe lager de
frequentie, hoe meer golven uitwaaien.
Zie ook "Fresnel Zone". Dat "stralen" een zekere breedte
nodig hebben om een zekere afstand zonder extra demping te
kunnen overbruggen, is eveneens m.b.v. divergentie te
verklaren. Als de stralen door obstakels sterk in breedte
beperkt worden, zijn zij uitgewaaid (dus in sterkte
afgenomen) reeds voordat zij hun doel bereikt hebben. Licht
gaat wel door een waterleiding buis, maar radiogolven van 1m
lengte niet.
Terug naar TeTech
Driestralen Model, 3-ray Model.
Het driestralen model is een model om de overdracht tussen
twee antennes uit te rekenen waarbij de invloed van de
direct zicht golf, de op de aarde gereflecteerde golf en de
opppervlaktegolf meegenomen wordt. Het model vereist kennis
van de grondgeleiding als functie van de diepte.
In het VHF en hoger gebied, uitgaande van TX en RX antennes
welke boven de grond opgesteld zijn, is de invloed van de
oppervlaktegolf verwaarloosbaar. Het driestralenmodel, dat
aanmerkelijk gecompliceerder is dan het tweestralen model,
is in die gevallen niet nauwkeuriger (dan het tweestralen
model). Het drie stralen model wordt in de TeTech cursussen
niet behandeld.
Ducting, Super refraction, Sub refraction
Ducting is het verschijnsel dat radiogolven in het VHF
gebied en hoger soms veel verder komen dan de horizon.
Indien dit optreedt t.g.v. een "sterke" afname van de
brekingsindex als functie van de hoogte (dN/dh<-157/km),
spreekt men van "super refraction". Dit kan zorgen voor een
denkbeeldige gang of verbinding (Eng: "duct") waardoor
radiogolven zich met geringe demping kunnen voortplanten.
Een stralenbundel buigt dan terug naar de aarde en kan
eventueel weer gereflecteerd worden en vervolgens weer
terugbuigen naar de aarde ("ground based duct").
Reflecteert de bundel op een luchtlaag welke eronder licht
(de golven blijven als het ware gevangen tussen twee
luchtlagen) dan spreekt men van een "elevated duct".
Ducting treedt vaak op tijdens windstil weer, boven grote
watervlakten en in de onderste luchtlagen (<150m, typical
20m). Door de relatief dunne laag waar ducting in plaats kan
vinden, treedt het effect het sterkst op bij golflengtes
veel kleiner dan de laagdikte (frequenties hoger dan 100
MHz). Ducting dient men niet te verwarren met sporadische E
laag reflectie.
Indien de radiogolven juist van de aarde af buigen (dus het
bereik aanzienlijk minder ver is dan de radiohorizon),
spreekt men van sub refraction.
Terug naar TeTech
Effectief Oppervlak, Effectief Antenneoppervlak
Het effectief oppervlak van een antenne is een maat voor de
hoeveelheid golfenergie welke uit de lucht opgepakt wordt en
omgezet wordt naar antennesignaal. Er geldt:
PRX=Aeff*vermogensdichtheid ([W]=[m2]*[W/m2]).
De eenheid van Aeff is m2.
Het effectief oppervlak is afhankelijk van de oriëntatie van
de antenne ten opzichte van de stralingsrichting. In
principe gaat voor geluid of ander golfverschijnsel dezelfde
redenatie op.
2. Voor een
isotrope straler geldt Aeff=lambda2/4pi. Voor een
schotel antenne geldt bij benadering
Aeff=0.5*geometrisch.oppervlak.
Iedere antenne welke verliesvrij aangepast kan worden op de
belasting/bron, heeft een richting waarbij het effectief
oppervlak minimaal lambda2/4pi vierkante meter
bedraagt.
Effectieve Antenne Hoogte
Het begrip effectieve hoogte wordt op verschillende manieren
gebruikt.
Voor antennes welke gevoed worden ten opzichte van aarde (LW
en MG antennes), is de effectieve hoogte het "zwaartepunt"
van de stroomverdeling in de straler.
Voor een verticaal opgestelde halve golf monopool geldt heff
= 0.5*stralerlengte.
Voor een kwart golf monopool: heff =
0.32*stralerlengte.
Een kwart golf monopool voorzien van een capacitieve top,
heeft ook stroom in de top waardoor de effectieve antenne
hoogte toeneemt.
Voor elektrisch kleine staafantennes (gevoed ten opzichte
van aarde, lineaire stroomverdeling) geldt: heff
= 0.5*antennelengte
Voor antennes welke zich in het geheel boven de grond
bevinden, is de Effectieve Antenne Hoogte het aantal meters
dat het stralingscentrum zich boven de gemiddelde
terreinhoogte bevindt. Bij constructies met een symmetrische
stroomverdeling (halve golf dipool, hele golf dipool),
bevindt het stralingscentrum zich in het midden van de
antenne.
Onder effectieve hoogte van een antenne wordt ook verstaan
de verhouding tussen de afgegeven onbelaste spanning (de
EMK) en de elektrische veldsterkte van het sturende EM-veld.
Ofwel heff = UEMK/E. De eenheid is
meters. Hierbij dient de antenne optimaal georiënteerd te
zijn ten opzichte van het EM-veld.
In tegenstelling tot het effectief oppervlak zegt dit begrip
niets over de gain van een antenne. Het zegt namelijk niets
over het afgegeven vermogen (dit is afhankelijk van de
stralingsweerstand van de antenne).
Voor VHF en UHF antennes heeft de EMK definitie van
Effectieve Antenne Hoogte weinig nut. Zie ook "Antenna
E-field Factor".
Terug naar TeTech
Elektrisch Kleine Antennes
Elektrisch kleine antennes zijn antennes waarvan de
afmetingen kleiner zijn dan 0.5*lambda. Het zijn antennes
welke zonder aanpassing meestal niet in resonantie zijn.
Indien de elektrisch kleine antenne verliesvrij op een bron
aangepast kan worden, dan bedraagt de gain altijd meer dan 1
(>0dBi) in de richting van de meeste straling. Dit geldt
zowel in geval van zenden als ontvangen.
Elektrisch kleine antennes produceren op afstanden
aanmerkelijk kleiner dan een golflengte een hoge elektrische
of magnetische veldsterkte (in veel gevallen ook beide). Dit
kan leiden tot grote verliezen in dichtbij geplaatste
constructies. Het overall rendement van dergelijke kleine
antennes wordt daardoor vaak nadelig beïnvloed.
De verkorte dipool (gezamenlijke lengte van de twee staven
kleiner dan 0.5*lambda), en de magnetische dipool (diameter
lus kleiner dan 0.15*lambda) zijn in de praktijk veel
gebruikte verkorte antennes. Hun eigenschappen zijn
experimenteel en mathematisch bepaald en kunnen in bepaalde
gevallen als referentie- of meetantenne gebruikt worden.
Bij gebruik van elektrisch kleine antennes als zendantennes
is de verhouding tussen het reactieve deel en de
stralingsweerstand (de Q factor) ongunstig. Deze Q factor
bedraagt in orde van:
Qant = (lambda)3/(20*Volume). Hierbij is
uitgegaan van een compact volume. Als het volume platter is,
krijgt de factor 20 een hogere waarde (dus valt de Q lager
uit).
Hieruit blijkt dat hoe minder ruimte uw antenne in beslag
neemt, hoe hoger de Q factor van de antenne (en kleiner de
bandbreedte). In veel gevallen wordt het beschikbare RF
vermogen verstookt in de componenten ten behoeve van
aanpassing, of de antenne zelf.
Emittantie, Stralingsemittantie
De stralingsemittantie (symbool M) is het aantal W/m2
dat vertrekt vanaf de bron, gemeten op de bron. het begrip
wordt voornamelijk gebruikt in de radiometrie.
Indien een reflectorantenne met een oppervlak van 10 m2
uniform aangestraald wordt en 50W uitstraalt, bedraagt de
"radiant exitance"
M = 50W/10m2 = 5 W/m2
In de fotometrie komt men het begrip tegen onder de naam
"luminous Excitance", Mv in lm/m2.
Zie ook het begrip: "Radiantie, Radiance".
Terug naar TeTech
ERP, EIRP, Effective uitgestraald
vermogen.
Het Equivalent isotropisch uitgestraald vermogen (Eng:
"Equivalent Isotropically Radiated Power") komt overeen met
dat elektrisch vermogen dat men aan een isotrope straler toe
dient te voeren om dezelfde veldsterkte/vermogensdichtheid
op te wekken als met de betreffende zender/antenne
combinatie verkregen wordt. Indien men een zender heeft met
een vermogen van 5W, welke een antenne stuurt welke in een
bepaalde richting een factor 10 aan gain (Gi) heeft, dan
bedraagt het zendvermogen van de zender/antenne combinatie:
EIRP=PTX*Gi = 5*10=50W.
In sommige literatuur ziet men EIRP beschreven als
"Effective Isotropic(ally) Radiated Power", echter de ITU
(International Telecommunication Union) definitie is
"Equivalent Isotropically Radiated Power".
In geval van het ERP (Effective Radiated Power) wordt in
plaats van een isotrope straler een dipool als referentie
genomen. Dan geldt ERP=PTX*Gd. Doordat een dipool een gain
heeft (Gi) van 1.64, is voor een bepaalde antenne/zender
combinatie het EIRP altijd een factor 1.64 hoger dan het ERP
(2.13 dB).
In geval van middengolfzenders wordt vaak een andere
definitie gebruikt. Dit wordt gedaan omdat in dit
frequentiegebied de oppervlaktegolf de belangrijkste
component is. Men gaat dan uit van antennes welke veel
oppervlaktegolven opwekken. Dergelijke antennes (meestal
geïsoleerde masten) worden gevoed ten opzichte van een
ingegraven aardnetwerk. Meestal wordt als referentie antenne
een ten opzichte van aarde gevoede kwartgolfantenne (of
korter) gebruikt.
Terug naar TeTech
Fading, Rayleigh fading
Het voortdurend (meestal hinderlijk) variëren van de sterkte
en fase van het ontvangen signaal wordt aangeduid met het
begrip: "Fading". Men onderscheidt "fast fading" (snelle
signaalsterkte schommelingen ten gevolge van
multipad-effecten, vooral te merken bij mobiele communicatie
in het hoge VHF en UHF gebied) en "Slow Fading" (langzame
signaalsterke schommelingen ten gevolge van schaduwwerking
van gebouwen of langzaam variërende propagatie
omstandigheden in vaste radioverbindingen).
Fast fading wordt veroorzaakt doordat meerdere golffronten
de antenne bereiken welke door propagatie en verplaatsing
van TX of RX iets andere fase/frequentie hebben
(interferentie van meerdere golven met ongeveer gelijke
frequentie).
Indien het totale RX vermogen voornamelijk bepaald wordt
door geflecteerde golven van ongeveer gelijke sterkte, is
sprake van Rayleigh fading (het RX vermogen als functie van
plaats of tijd is bij benadering Rayleigh verdeeld).
Rayleigh fading kenmerkt zich door zeer sterke dalen in de
overdracht (dips in orde van 30-40 dB zijn geen
uitzondering).
Naarmate één van de golffronten welke de RX antenne bereiken
dominant wordt ten opzichte van het totaalvermogen in de
overige golffronten welke de RX antenne bereiken, dan worden
de dalen aanmerkelijk minder diep. In dergelijke gevallen
spreekt men van "Ricean fading". Het woord "Ricean" komt van
de "Rice" kansdichtheidsfunctie.
Als één component significant sterker is dan het
totaalvermogen van de rest, dan is de fading bij goede
benadering gaussisch verdeeld. De dominante component mag
best een gereflecteerde component zijn (waarbij de direct
zicht golf de RX antenne veel zachter bereikt).
Ook wordt het begrip "scintillation" hier en daar gebruikt.
Formeel verstaat men onder scintillation echter het effect
van propagatievariaties op de ampltitude van het signaal
(dus niet de fase).
Doordat fading in veel gevallen optreedt (fast en slow),
dient het zendvermogen aanmerkelijk hoger gekozen te worden
dan op grond van de 50% propagatievoorspelling verwacht
wordt. +30dB extra is geen uitzondering. Het benodigde extra
vermogen uitgedrukt in dB's wordt vaak aangeduid met het
begrip "fading marge".
Fast fading kan ook bestreden worden door het gebruik van
"Antenne Diversity", ook wel "Space Diversity" genoemd.
Hierbij worden twee of meer antenne gebruikt welke minimaal
een kwart golflengte uit elkaar staan. De signalen van de
antennes worden gescheiden verwerkt. Dynamisch wordt bekeken
van welke antenne het signaal het meest geschikt is voor
verdere verwerking. Het direct koppelen van de antennes
geeft geen enkele verbetering.
Fading komt ook veelvuldig voor op de HF banden. Ook hier is
de reden dat verschillende gereflecteerde golffronten de RX
antenne bereiken en soms elkaar uitdoven en soms elkaar
versterken. De hoogte van de geïoniseerde lagen verieert
immers met de tijd. Bovendien kan de vanuit de ionosfeer
komende golf interfereren met de grondgolf van het HF
station. Dit treedt op als de RX antenne zich relatief
gezien dicht bij de TX antenne bevindt.
Terug naar TeTech
Faraday Rotatie, Faraday Rotation.
Faraday rotatie is het verschijnsel dat onder bepaalde
omstandigheden de polarisatie van een radiogolf (of
lichtgolf) tijdens zijn reis door een medium verandert. Voor
RF propagatie zijn die omstandigheden: aanwezigheid van een
magnetisch veld in de uitbreidingsrichting van het EM-veld
en elektronen in het medium. Het is in 1845 ontdekt door
Faraday (optische meetopstelling).
Het wordt veroorzaakt doordat de bewegende elektronen
(t.g.v. de E-veld component van het EM-veld) ook een
dwarskracht ondervinden door het extern aangebrachte
statische H-veld waardoor de uiteindelijke oscillatie van de
elektronen niet meer evenwijdig aan het E-veld is.
Voor radiogolven is het aardmagnetisch veld en aanwezigheid
van vrije elektronen verantwoordelijk voor de rotatie in
Aarde-Satelliet paden. De rotatie is evenredig met de lengte
van het propagatiepad, de elektronendichtheid, de sterkte
van het statische H-veld en omgekeerd evenredig met het
kwadraat van de frequentie. Bij 1 GHz bedraagt de rotatie
voor een Aarde-Satelliet verbinding in orde van 100 graden.
Op 10 GHz bedraagt de rotatie in orde van 1 graad.
Satelliet verbindingen waarbij circulaire polarisatie
gebruikt wordt hebben nagenoeg geen last van Faraday Rotatie
Verandering van de polarisatie van een EM-veld treedt onder
bepaalde omstandigheden ook op bij Aarde-Aarde verbindingen,
maar de oorzaak zit hier in de oriëntatie van regendruppels.
Fasesnelheid, Phase Velocity.
De fasesnelheid (v.phase) is gelijk aan lambda*draaggolffreq
(lambda is golflengte in m). De eenheid is m/s, symbool
v.phase. Voor het vacuüm en vaste stoffen geldt: v.phase=c.
De fasesnelheid geeft aan hoe snel de fase van een zuiver
sinusvormig signaal zich uitbreidt. Anders gezegd, voor
het faseverschil (delta.phi) tussen twee punten geldt:
delta.phi = 2pi*f*delta.r/v.phase.
In bijvoorbeeld geïoniseerde media, is de fasesnelheid vaak
hoger dan wat je op grond van de lichtsnelheid zou
verwachten. Dit houdt in dat een signaal van 300 MHz, dat
normaal een golflengte in het vacuüm heeft van 1m, in een
geïoniseerd gas een golflengte van 1.3 m kan hebben... Dit
wordt vaak aangeduid als een "fast wave"
Een zelfde verschijnsel doet zich voor bij EM-golfpijpen of
transmissielijnen waarop zelfinducties aangebracht zijn. De
fasesnelheid is sterk frequentieafhankelijk. Propagatiemedia
waarbij de fasesnelheid sterk frequentieafhankelijk is geven
sterke vervorming in de overdacht in geval van relatief
breedbandige signalen.
Bovenstaande wekt de indruk dat golven harder dan de
lichtsnelheid kunnen gaan. Dit is echter niet zo. In de
regel geldt hoe hoger de verhouding v.phase/c, hoe langer
het duurt voordat het golfverschijnsel zijn eindwaarde
bereikt (net als het inschakelen van een blokspanning op een
RC netwerk). Er geldt in diverse gevallen:
V.phase*V.group = C02.
Zie ook het begrip groepsnelheid en propagatievertraging.
Fotonruis, kwantum ruis
Hoewel fotonruis tot in het verre GHz bereik bij
kamertemperatuur geen dominante rol speelt als het gaat om
ruis in antennes, is het interessant om te bekijken wat de
gevolgen zijn van het gekwantiseerd zijn van bijvoorbeeld EM
straling indien de ontvangstfrequentie zeer hoog is (>50
GHz).
Thermische ruis (Johnson Noise) wordt veroorzaakt door
thermisch geïnduceerde vibratie van ladingsdragers (Pnmax =
k*T [W*s, W/Hz]) Dit proces is niet oneindig breedbandig.
Als dit wel zo zou zijn, zou P (P = delta.f*Pnmax) oneindig
hoog zijn. De -3 dB bandbreedte bedraagt ongeveer k*T/h [Hz]
(6000 GHz bij 300 K).
Het door versnellende lading uitgestraalde E- en H-veld is
rechtevenredig met de hoeveelheid oscillerende lading en de
frequentie. Ofwel hoe hoger de frequentie, hoe minder
elektronen noodzakelijk zijn om een zelfde veldsterkte te
produceren. Bij zeer hoge frequentie (bijv gamma straling),
kunnen enkele elektronen, een sterk veld opwekken. Aangezien
veranderingen van energieniveaus op atomair niveau volgens
de kwantummechanica niet continu, maar in discrete stappen
gaan, geldt dit ook voor de opgewekte EM-straling t.g.v. een
elektron dat terugvalt in een lager energieniveau.
EM-straling is gekwantiseerd.
De Energie in de straling bestaat uit energiepakketjes met
inhoud E = h*f [J, W*s], h = constante van Planck. Bij hoge
frequenties (bijv licht) en gering ontvangen totaal vermogen
zijn de onderlinge pakketjes daadwerkelijk te onderscheiden.
De pakketjes komen echter niet mooi regelmatig aan waardoor
dit proces ruiserig verloopt. De energiepakketjes worden in
geval van straling "fotonen" ("photons") genoemd.
Bij lage frequenties is de energie per foton zo laag, en heb
je er zoveel van nodig, dat je van het
energiedeeltjeskarakter niets merkt. Johnson noise is dan
dominant. Bij hoge frequenties (licht, IR) zijn de
energiedeeltjes echter wel merkbaar.
Voor het stralingsvermogen dat op de detector (antenne)
terecht komt geldt:
Pdet = Ns*h*f [W]
Ns = aantal deeltjes met energie E=h*f dat per seconde op de
detector terechtkomt. Omwerken geeft: Ns = Pdet/(h*f)
[photons/s].
Kort samengevat: hoe hoger de frequentie, moe minder fotonen
nodig zijn om een zeker vermogen in de (optische) antenne op
te wekken.
Zoals eerder genoemd, fotonen komen niet mooie regelmatig
aan. In een meettijd T meet je de ene keer meer en de andere
keer minder dan het gemiddeld aantal dat je verwacht
(Poisson Verdeling: std.dev/average = 1/sqrt(n)). Ofwel op
de vermogensmeting (Pdet = Ns*h*f) zit spreiding (ruis) ten
gevolge van variatie in Ns. Op grond van de poisson
verdeling kan men komen tot:
Pnoise/Psignal = sqrt(h*f/Psignal) in 1 Hz bandbreedte of
Psignal/Pnoise = SNR = sqrt(Psignal/(h*f)) in 1 Hz
bandbreedte.
Dit betekent als je in één seconde 10000 fotonen detecteert,
de S/N ratio maximaal 100 (20 dB) bedraagt. Dit type ruis
wordt photon shot noise (foton hagelruis) genoemd. Zelfs in
een ruisvrije ontvanger is ten gevolge van het gekwantiseerd
zijn van het signaal, de signaalruisverhouding dus beperkt
(de ruis zit in het signaal). Hoe minder fotonen je per
tijdseenheid ontvangt, hoe slechter de S/N ratio.
We nemen aan dat Pdet gemeten is in 0 tot 1 Hz bandbreedte
en de meettijd van mijn detector voor de vermogensbepaling
bedraagt 1s. Een signaal/ruis verhouding van 1 (Psignal =
Pnoise) resulteert in:
Psignal = h*f = Pnoise. Dit kunnen we door middel van:
Pnoise = k*T (1 Hz bandbreedte) vertalen tot een
equivalente ruistemperatuur, net zo als gebruikelijk is bij
de ruisproductie van een versterker in satelliet
grondstations (zie ruistemperatuur):
Tnoise.photon = h*f/k = 45*10-12*f =
0.045*f(GHz)
k = constante van Boltzmann. Dit is de zogenaamde foton of
kwantumlimiet (photon or Quantum Limit). Tot in orde van 50
GHz is deze ruisbijdrage praktisch verwaarloosbaar. Voor
licht (ong. 500THz) zorgt het deeltjeskarakter van (EM)
energie voor een ruistemperatuur van rond de 22500 K (niet
coherente detectie, bijv fotonenteller). De werkelijke
systeemruistemperatuur zal echter nog wat hoger uitvallen
omdat de detector zelf ook ruis opwekt of omdat niet alle
fotonen gedetecteerd worden (kwantumrendement < 1).
Frequency Selective Fading
Ten gevolge van multipadeffecten bestaat het ontvangen
signaal uit de sommatie van de diverse golffronten welke via
reflectie, diffractie of rechtstreeks de RX antenne
bereiken.
Bij verandering van frequentie, verandert de onderlinge
tijdvertraging tussen de golffronten slechts weinig (is dus
nagenoeg constant) Indien een geheel aantal perioden in de
tijdvertraging (detla.T) past, versterken de velden elkaar.
Indien de frequentie echter met 0.5/(delta.T) Hz veranderd
wordt, komt de in de tijd vertraagde golf precies in
tegenfase aan en dempen de golven elkaar in meer of mindere
mate. In geval van een tijdvertraging tussen twee
golffronten in orde van 0.3us (komt overeen met 90m), kan
een verandering van uitzendfrequentie in orde van 1.5 MHz
grote veranderingen in de overdracht teweeg brengen.
Multipad effecten maken de overdracht dus sterk
frequentie-afhankelijk. Deze frequentie-afhankelijke
overdracht ten gevolge van multipadeffecten, wordt aangeduid
met het begrip "Frequency Selective Fading". Zie ook "Delay
Spread", dit wordt namelijk ook door multipad effecten
veroorzaakt.
Breedbandsystemen zoals spread spectrum, maken daarvan juist
gebruik. Indien men zeer breedbandig uitzendt, is er altijd
wel een frequentiebandje aanwezig waarbij de diverse
golffronten elkaar niet uitdempen. U dient zich wel te
realiseren dat het uitsluitend breedbandig maken van het
uitgezonden spectrum, geen oplossing is voor Delay Spread
(dit vereist namelijk "Channel Equalization", ook wel
aangeduid met: "Echo Cancellation").
Terug naar TeTech
|
|
Fresnelzone, (First) Fresnel Zone.
Meestal wordt de eerste Fresnelzone bedoeld. De eerste
Fresnel zone is dat volume omgeven door een elipsoide
(eivormig volume) waarbij de weg van de TX antenne naar de
RX antenne, via een punt op de elipsoide een halve
golflengte langer is dan de rechtstreekse route. De
doorsnede van de elipsoide is op zijn breedst halverwege de
twee antennes en heeft dan een doorsnede van sqrt(lambda*r)
meter (r=afstand tussen antennes, lambda is golflengte van
de straling).
Indien dit volume (of zone) vrij van obstakels is, wordt de
directe golf niet extra verzwakt (daarvoor geldt dus vrije
veld demping). Anders gezegd, wil een golfverschijnsel zich
onverzwakt uit kunnen breiden, dan heeft het ruimte nodig
(breedte en hoogte). Dit plaatst het begrip straal in een
ander daglicht. De minimale breedte die een straal nodig
heeft, is afhankelijk van de te overbruggen afstand en de
golflengte. Dit is de reden dat lichtstralen wel ongehinderd
door een klein gaatje kunnen, doch radio golven en geluid
sterk verzwakt worden. Voor de breedte van een straal
halverwege de zender en ontvanger geldt eveneens
sqrt(lambda*r). Hierin is "r" de te overbruggen afstand
tussen zender en ontvanger.
Het voldoen aan de Fresnel voorwaarde, is geen garantie voor
ongestoorde communicatie. Het ontvangen signaal bestaat in
werkelijkheid uit een sommatie van diverse golven. Naast de
directe golf spelen reflecties een grote rol. Reflecties op
objecten welke ver buiten de eerste fresnelzone liggen,
kunnen eveneens de ontvangstantenne bereiken. Deze
reflecties kunnen de directe golf zowel versterken als
verzwakken, doch ook voor ongewenste vertraging zorgen. Het
gebruik van richtantennes vermindert de invloed van
reflecties.
Obstakels binnen de Fresnelzone maken communicatie niet
onmogelijk. Men krijgt alleen te maken met extra demping.
Bedenk dat voor praktisch alle VHF communicatie de aarde
binnen de eerste fresnelzone ligt.
Friis transmission formula
De Friis transmissie formule legt de relatie tussen het TX
en RX vermogen in geval van antennes welke gespecificeerd
zijn aan de hand van hun effectieve oppervlakken. Er geldt:
Prx/Ptx = Aerx*Aetx/(lambda*S)2 (S=afstand tussen
antennes). De antennes dienen optimaal op elkaar gericht te
zijn.
Terug naar TeTech
Geïoniseerde Media, Ionised Media
Geïoniseerde media zijn media waarin zich in ieder geval
ongebonden lading bevindt welke zich tot op zekere hoogte
vrij kan bewegen. Denk hierbij aan geïoniseerde gassen.
Het splitsen van een neutraal molecule/atoom in een ion en
een elektron vindt plaats ten gevolge van externe
energietoevoer (bijvoorbeeld ultra violet licht, hoge
temperatuur of ioniserende/deeltjesstraling). Tegelijkertijd
komen elektronen en ionen ook weer tot elkaar (recombineren)
en stelt zich een evenwicht in van: geïoniseerde atomen,
vrije elektronen, atomen en niet geïoniseerde moleculen.
Geïoniseerde media gedragen zich als functie van de
frequentie bijzonder vreemd. Dit is echter zonder gedegen
kennis van EM velden moeilijk uit te leggen op één A4'tje.
Toch wordt hier een poging ondernomen om het gedrag van zo'n
medium aannemelijk te maken:
In geval van een normaal isolerend medium loopt de stroom
voor op een sinusvormig aangelegd veld (capacitief effect
van isolatoren en vacuüm) en loopt er hooguit een
lek-/verliesstroom welke in fase is met het aangelegde E
veld. Echter in een geïoniseerd medium loopt er ten gevolge
van de vrije lading en de krachtwerking van het E-veld op
die lading, een derde stroom. Door de massatraagheid van de
ladingsdragers (meestal elektronen) loopt deze stroom echter
90 graden achter op het E veld (dit is een inductief
effect!). Ten gevolge van recombinatie (botsen van elektron
op ion) wordt ook warmte gegenereerd (dus een extra in fase
stroom). Ten gevolge van een H-veld component in het EM veld
worden de bewegende vrije elektronen afgebogen (net als in
een TV beeldbuis). Voor het verdere verloop laten we het
H-veld buiten beschouwing.
Een Geïoniseerd medium (tussen twee platen) kan men als het
ware zien als een parallelschakeling van een capaciteit, een
verliesweerstand en een zelfinductie. Hoe meer vrije
elektronen, hoe kleiner de parallelstaande zelfinductie (dus
hoe groter de inductieve stroom). Hoe hoger de frequentie,
hoe meer de massatraagheid speelt. De oscillatie van de
vrije elektronen is dan minder en daarmee dus ook het
inductieve effect.
Boven een bepaalde frequentie (afhankelijk van vrije
elektronendichtheid), wint het capacitieve effect. Het
geïoniseerde medium gedraagt zich dan als een medium met een
relatieve diëlectrische constante kleiner 1 (dus
fasesnelheid hoger dan c0). Voor nog hogere
frequenties verdwijnt het effect van de ionisatie en
gedraagt het medium zich nagenoeg als vacuüm.
Hoe meer vrije elektronen en hoe lager de frequentie, hoe
groter het inductieve effect. Maar, hoe meer overige materie
(ionen, moleculen, atomen), hoe groter de kans op
botsingen/recombinatie en dus hoe hoger het verlies (ohmse
effect). Een inductief effect kan dan volledig verloren
gaan. Het geïoniseerde medium gedraagt zich dan meer als een
(slechte) geleider. Dit is het geval bij de D-laag (laagste
geïoniseerde laag in de ionosfeer, 50-90 km hoogte). Voor
lage frequenties (100 kHz), en in het bijzonder in geval van
verhoogde zonneactiviteit (sterkere ionisatie), is de
geleiding redelijk waardoor reflectie plaats kan vinden.
Doordat het zonlicht al een lange weg heeft afgelegd door de
dampkring, worden relatief weinig vrije elektronen
gegenereerd in de D-laag. Door de hoge gasdichtheid
recombineren zij ook weer snel. Het gevolg is een slecht
geleidende laag welke radiogolven tot 2..3 MHz praktisch
absorbeert. Door de snelle recombinatie verdwijnt de laag
direct als het donker wordt. Dit is te merken aan de
ontvangst van ver weg gelegen middengolf zenders gedurende
de nacht.
Een omgekeerde situatie doet zich voor in de hoogste
geïoniseerde lagen (F1, F2, F, < 600 km). De gasdichtheid is
laag (weinig recombinatie en botsingen, dus weinig verlies)
en de ionisatie is hoog (direct zonlicht). De recombinatie
is zo laag dat deze lagen gedurende de nacht niet volledig
verdwijnen. Voor frequenties boven 3 MHz gedragen deze lagen
zich als een diëlectrisch materiaal met een relatieve
diëlectrische constantie van minder dan 1 (brekingsindex
kleiner dan 1), en relatief lage verliezen. De relatieve
diëlectrische constante neemt toe (nadert tot 1) met
toenemende frequentie.
De laagdikte is groot waardoor er sprake is van een dikke
laag waarbij met toenemende hoogte, de diëlectrische
constante geleidelijk afneemt (zelfde effect als in een
graded index glasvezel). Radiogolven hebben daardoor
voldoende weglengte om teruggebogen te worden naar de aarde.
Radiogolven hebben immers de neiging om weg te buiten van
een gebied met lagere brekingsindex (dus lagere relatieve
diëlectrische constante). Lange afstand HF communicatie is
mogelijk dankzij de "vreemde" eigenschappen van geïoniseerde
gassen onder lage druk.
Terug naar TeTech
Geleide Golven, Guided Waves.
Geleide golven zijn alle golven waarvan de uitbreiding
beperkt wordt tot een voorbestemde richting. Anders gezegd
er wordt de golven een verplicht pad geboden dat zij dienen
te volgen. Om golven in een bepaalde richting te geleiden,
zijn constructies anders dan lucht nodig. Hierbij valt te
denken aan coaxiale kabels, twisted pairs, golfpijpen,
diëlectrische geleiders. De golfenergie bevindt zich meestal
tussen metalen geleiders of in diëlectrische geleiders.
In geval van geluid kan dit een met lucht gevulde slang of
pijp zijn, of een metalen staaf. Kenmerk van geleide golven
is dat de demping exponentieel afhankelijk is met de afstand
r (bijvoorbeeld uitgedrukt in dB/m). Dit in tegenstelling
tot ongeleide golfuitbreiding waar meestal een 1/r2
verband bestaat.
Golffront, Wave Front.
Een golffront is het denkbeeldig vlak waarin het E en H veld
ligt. Men kan het ook definiëren als het vlak gevormd door
de punten waarin het E of H veld overal dezelfde fase heeft
(bijvoorbeeld allemaal maximaal, minimaal, of nul). Het is
goed te vergelijken met een tweedimensionaal
golfverschijnsel in water als men een voorwerp in het water
gooit. Verbindt men alle gelijkfasige punten (bijvoorbeeld
de toppen), dan krijgt men cirkels te zien waarvan de straal
steeds een halve golflengte groter is. Het uitbreiden van
een golffront is eveneens goed te zien bij een vanuit de
lucht gefilmde zware bomexplosie
Het golffront staat loodrecht op de uitbreidingsrichting en
is vlak in geval van een vlakke golf en bolvormig in geval
van een sferische golf.
Ook voor geluid staat het golffront loodrecht op de
uitbreidingsrichting. Echter omdat geluid een longitudinaal
golfverschijnsel is (deeltjessnelheid en druk wijzen in
dezelfde richting als de uitbreidingsrichting), staat in dit
geval het vlak loodrecht op de veldcomponenten.
Indien men te maken heeft met verschillende zenders (welke
wel exact hetzelfde signaal uitzenden), dan is het golffront
niet automatisch mooi vlak of sferisch.
Terug naar TeTech
Golfgetal, Wave Number.
Het golfgetal of "Wave Number", aangeduid met k, is gelijk
aan 2*pi maal het aantal golven dat in één meter lengte
passen, ofwel k = 2*pi/lambda. Het golfgetal wordt ook wel
aangeduid met het begrip "Fase Constante" (Eng: Phase
Constant). De eenheid bedraagt rad/m. Men komt k veel tegen
in formules welke betrekking hebben op vrije golfuitbreiding
en gebonden golfuitbreiding (kabels, golfpijpen
oppervlaktegolven, etc).
Het Golfgetal geeft in feite aan hoe groot het faseverschil
(radialen) is tussen de spanning op 2 posities welke d meter
uit elkaar liggen (delta(phi) = -k*d). d Dient in het
verlengde van de golfuitbreiding te liggen. Het minteken
volgt uit de eindige snelheid van EM golven
(tijdvertraging).
Voor bepaalde transmissiemedia kan k kleiner zijn dan men
verwacht op grond van de lichtsnelheid in het vacuüm en de
frequentie van de EM golf. Dit is onder andere het geval bij
golfpijpen, coaxiale structuren met regelmatig verspreide
inductieve belastingen en geïoniseerde media (plasma's).
Gaat men zich verdiepen in kabeltheorie, dan komt men een
iets uitgebreidere definitie tegen. Zie hiervoor het begrip
"propagatieconstante".
Golfweerstand, Golfimpedantie
Een golfverschijnsel is altijd opgebouwd uit twee
componenten. Voor het Elektro-Magnetisch veld is dat het
elektrisch en magnetisch veld. Voor geluid de gemiddelde
deeltjessnelheid v en de druk P. Indien men te maken heeft
met een golf afkomstig van één zich ver weg bevindende bron,
dan is er een vaste verhouding tussen de twee componenten.
Voor het EM-veld geldt: Z0 = E/H
Z0 = sqrt{magnet. permeabiliteit / diëlec.
constante}.
Voor lucbt en vacuüm overeenkomend met ongeveer 377 Ohm.
Ieder medium heeft zijn eigen golfweerstand (Z0).
Hoe hoger de dielectrische constante van een isolator, hoe
lager Z0. Geleiders bezitten ook een Z0,
doch deze is niet reëel, waardoor golven zeer snel uitdoven.
Voor antennes is de Z0 van metalen van weinig
belang. Voor geluid geldt, Hoe lager de
voortplantingssnelheid en hoe lager de dichtheid, hoe lager
de karakteristieke impedantie is (Z0 =
P/v.deeltjes = soort.massa*v.voortpl.). voor water komt men
dan op een golfweerstand in orde van 1.5 MPa/(m*s), voor
lucht vindt men ongeveer 400 Pa/(m*s)
Indien men zich op veel minder dan 1 golflengte van de bron
bevindt, of zeer dicht bij obstakels, dan gaat bovenstaande
verhouding niet op. Deze verhouding gaat ook niet op indien
men te maken heeft met interfererende golven. Zie ook verre
en nabije veld.
Terug naar TeTech
Grating Lobes.
"Grating lobes" zijn zijlobben welke ontstaan in periodieke
structuren (arrays, tralies zoals gebruikt in de optica)
door het periodieke karakter van golven. Zij zijn ongeveer
even sterk en even breed als de hoofdbundel. Zij ontstaan
bij samenstellen (arrays) van meerdere antennes
In principe wordt een antenne array (samenstel van antennes)
zo ontworpen dat in de gewenste richting alle
veldcomponenten van de afzonderlijke antennes elkaar
versterken (lees: veldcomponenten hebben gelijke fase). Als
men bij een array met constante elementafstand de afstand
vergroot tot 1 lambda of meer, dan versterken de
afzonderlijke veldcomponenten elkaar in meer dan één
richting. In dat geval is sprake van "grating lobes".
De hoek van de grating lobes is afhankelijk van de
herhalingsafstand van de periodieke structuur (bijv afstand
tussen array elementen) en de golflengte. Tralies worden
daardoor veelvuldig gebruikt in spectrometrie.
Grating lobes kunnen vermeden worden door de afstand tussen
de array elementen kleiner dan 1 lambda te kiezen (bijv 0.5
lambda), het ervoor zorgen dat het stralingsdiagram van de
afzonderlijke elementen een "nul" vertoont in de richting
van de grating lobes, of het plaatsen van de arrayelementen
op onregelmatige afstanden (bijv. een array bestaande uit
sub-arrays).
Terug naar TeTech
Grazing Angle, Elevatie, Elevation Angle.
De "Grazing Angle" is de hoek tussen de straling en het vlak
waar de straling op terecht komt (elevatie). Straling welke
evenwijdig aan het vlak loopt (dus het eigenlijk niet raakt)
heeft een Grazing angle van 0 graden (en dus een invalshoek
van 90 graden, in het Engels: "90 degrees Angle of
Incidence"). Er geldt: Grazing Angle = 90-invalshoek.
Straling welke loodrecht op een vlak invalt, heeft een
invalshoek van 0 graden en een Grazing angle of Elevatiehoek
van 90 graden.
Onder "Grazing Angle" wordt ook verstaan de situatie wanneer
golven onder zeer kleine hoek invallen op een vlak
(bijvoorbeeld de aarde). De golven lopen dan bijna parallel
aan de aarde (het golffront staat dan nagenoeg loodrecht op
de aarde).
Onder deze omstandigheden wordt praktisch alle golfenergie
gereflecteerd, ongeacht de polarisatie. Er treedt echter een
180 graden fasesprong op. Dit gaat zelfs op indien het
medium waarop de golven terechtkomen veel dichter is dan
lucht (dus brekingsindex groter dan 1).
Vooral bij aardse communicatie bereikt de op de aarde
gereflecteerde golf daardoor de ontvangstantenne bijna net
zo sterk als de directe golf, doch in tegenfase. De
gereflecteerde golf heft de directe golf voor het grootste
gedeelte op. Dit zorgt voor de veel hogere
overdrachtsdemping tussen twee antennes dan op grond van
vrije veld overdracht verwacht wordt. Zie ook "Tweestralen
model".
Terug naar TeTech
Groepsnelheid, Group Velocity.
Indien men een sinusvormig signaal (draaggolf) met een zeer
lage frequentie in amplitude moduleert, verschijnt het LF
signaal als omhullende op de draaggolf. In het
frequentiedomein ziet men 3 spectraalcomponenten. De
groepsnelheid is nu de snelheid waarmee de omhullende (dus
de modulatie) zich uitbreidt in de transmissielijn of
medium. De groepsnelheid wordt uitgedrukt in m/s.
Het verschil in voortplantingsnelheid van de omhullende en
voortplantingsnelheid van de draaggolf, wordt veroorzaakt
doordat in geval van het AM signaal, de fasesnelheid voor de
bovenzijband, in sommige gevallen af kan wijken van de
fasesnelheid van de onderzijband.
Indien de fasesnelheid onafhankelijk van de frequentie is,
geldt dat v.phase=v.group. Anders gezegd, de informatie
reist net zo snel als de fase van de draaggolf waarop de
informatie gemoduleerd is. v.group=d(lambda)/d(T).
Onvervormde communicatie vindt alleen plaats indien de
groeplooptijd constant is (ofwel 1/lambda dient dan lineair
evenredig te zijn met de frequentie, binnen de bandbreedte
waarin de communicatie plaatsvindt). Golfpijpen,
geïoniseerde gassen, striplines met parallele zelfinducties,
kunnen een fasesnelheid hebben welke hoger dan de
lichtsnelheid is, doch de groepsnelheid (dus de snelheid van
de informatie) is dan altijd lager dan de lichtsnelheid.
Grondgeleiding, Ground Conductivity
Grondgeleiding (ground conductivity) is een veel gebruikt
begrip als het gaat om propagatie in het MF en HF gebied en
ontwerp van antennes in het MF en HF gebied. Oppervlaktegolf
propagatie (middengolf/langegolf zenders) is sterk
afhankelijk van de grondgeleiding.
Grondgeleiding bestaat uit een Reëel deel (weerstandsdeel)
en een imaginair deel (capacitief deel). De geleiding drukt
men meestal uit in S/m of Mho/m (1/specifieke weerstand).
Het capacitieve deel drukt men uit in de vorm van een
relatieve diëlectrische constante. Ook ziet men de
eigenschappen van grond gespecificeerd in de vorm van een
complexe relatieve permittiviteit, aangegeven met
rel.epsilon' (relatieve epsilon accent) en rel.epsilon''
(relatieve epsilon dubbel accent). Tan(delta) =
rel.epsilon''/rel.epsilon' = loss factor
De relatie tussen de specifieke geleiding en rel.epsilon''
is:
rel.epsilon'' =
(spec.geleiding)/(2*pi*f*(epsilon,nul)).
rel.epsilon = rel.epsilon' - j*(rel.epsilon'').
Deze manier van specificeren ziet men ook bij
ferrietmaterialen.
Zowel de grondgeleiding als de diëlektrische constante zijn
afhankelijk van de frequentie. De DC grondgeleiding, welke
berust op diffusie van ionen, is daardoor geen goede maat
voor de grondgeleiding op HF.
Indien: spec.geleiding >>
2*pi*f*(rel.epsilon)*(epsilon.nul), dan gedraagt de grond
zich als een (slechte) geleider. De formule voor de skin
diepte voor geleiders gaan dan op.
Indien: spec.geleiding <<
2*pi*f*(rel.epsilon)*(epsilon.nul), dan gedraagt de grond
zich als een (slecht) dielectricum.
De elektrische eigenschappen van de grond worden bepaald
door de grondsoort (klei, zand, veen, rots) en vooral door
de hoeveelheid water/vocht. "Gemiddelde grond" heeft in het
vakgebied propagatie ongeveer een spec. geleiding = 0.005
S/m en Rel.epsilon = 13. Droog zand heeft een aanzienlijk
lagere geleiding terwijl natte klei een hogere geleiding
heeft.
Hoe hoger de grondgeleiding hoe verder oppervlaktegolven
komen en hoe hoger de frequentie mag zijn waarbij de
oppervlakte golf nog goed propageert. Bij hoge frequenties
gaat ook de diëlectrische constante een rol spelen. Zand,
wat in principe slecht geleidt, kan toch golven reflecteren
omdat ten gevolge van de (hoge) dielectrische constante, de
golfweerstand sterk afwijkt van die van lucht (en dus net
als in geval van verkeerd afgesloten coax kabels, reflecties
ontstaan).
In de regel geldt, hoe hoger de diëlektrische constante en
hoe hoger de geleiding, hoe beter golven gereflecteerd
worden.
Op HF en MF worden antennes gebruikt welke ten opzichte van
aarde gevoed worden (verticale stralers), of bevindt de
antenne zich elektrisch gezien dicht bij de ondergrond. In
die gevallen is de grondgeleiding en relatieve dielectrische
constante van grote invloed op de verliezen. Dat 30-60% van
het zendvermogen verdwijnt in de vorm van warmte in de
ondergrond is niet ongewoon.
Terug naar TeTech
Grondgolf(propagatie), Ground Wave
Onder de grondgolf/grondgolfpropagatie wordt verstaan het
gecombineerde effect (de superpositie) van de directe golf
(Eng: "space wave"), de op de aarde gereflecteerde golf
(Eng: "Earth Reflected Wave"), de oppervlakte golf (Eng:
"surface wave") en de eventuele over de horizon
gedivergeerde golf.
In het middengolfgebied is overdag voornamelijk de
oppervlaktegolf dominant. In het VHF gebied is de directe en
gereflecteerde golf dominant. In het HF gebied is de "sky
wave" dominant. Deze kan echter interfereren met de "Surface
Wave" waardoor hinderlijke interferentie (fading) kan
ontstaan.
Hertransmissie, Retransmission.
Alle gevallen waarbij een EM golf door een materiaal
ingevangen wordt en direct weer uitgestraald wordt
(eventueel in een andere richting) vallen onder de definitie
"hertransmissie". Hierbij valt te denken aan breking,
diffractie, reflectie en scattering.
Het EM veld bestaat uit een wisselende elektrische en
magnetische component. Als het veld een materiaal treft waar
elektronen enigszins (vrij) kunnen bewegen, zullen deze ten
gevolge van de magnetische en elektrische krachtwerking gaan
bewegen (in het ritme van het EM veld). Bewegende
(versnellende/vertragende) ladingen wekken op hun buurt een
nieuw stralingsveld op.
Terug naar TeTech
HILS Medium
HILS Medium is een afkorting voor "Homogeneous Isotropic
Linear Stationary Medium". Dit zijn media welke:
1. Homogeen van samenstelling zijn (dus overal in het
materiaal dezelfde eigenschappen hebben).
2. Isotropisch zijn. Dat betekent dat de stroomdichtheid of
elektrische flux in dezelfde richting wijst als het
aangelegde veld E en dat de magnetische flux in dezelfde
richting wijst als het aangelegde magnetisch veld (overheen
grootheid wijst in zelfde richting als de doorheen
grootheid).
3. Lineair zijn. Dat betekent als de sturende grootheid in
sterkte verdubbelt ook de afhankelijke grootheid verdubbelt.
4. Stationair zijn (dus de eigenschappen variëren niet als
functie van de tijd). Dit wordt ook wel met het begrip
"Tijdinvariant" aangeduid.
De meeste isolatiematerialen en geleiders vallen onder de
HILS media. De meeste magnetische materialen vallen daar
niet onder (zij zijn namelijk niet lineair, denk aan de
hysteresislus van dergelijke materialen). Alleen bij zeer
kleine fluxdichtheden (in orde van mT) kunnen zij als
lineair verondersteld worden.
Lucht waarbij de druk en temperatuur overal gelijk is, is
eveneens een HILS medium. De atmosfeer is dat niet. Denk
bijvoorbeeld aan de grote verschillen in druk, temperatuur
en luchtvochtigheid. Deze zijn verantwoordelijk voor
propagatie over afstanden voorbij de horizon.
Horizon Elevatie, Horizon Elevation Angle
De horizon elevatie hoek is de elevatiehoek van de horizon
ten opzichte van het stralingscentrum van de antenne, als
functie van de azimuthoek. Hierbij dient men obstakels
(bomen, bebouwing) en natuurlijke glooiingen mee te nemen.
Bevindt men zich zeer dicht bij een hoge flat, dan kan over
een azimut van bijvoorbeeld 20 graden, de horizon
elevatiehoek bijvoorbeeld 30 of meer bedragen. Bevindt men
zich op een hoge dijk in de polder, dan bedraagt de
horizonelevatie praktisch nul graden.
Het begrip wordt veel gebruikt in de procedures voor het
coördineren van grondstations t.b.v. satelliet communicatie.
Terug naar TeTech
Indringdiepte, Penetration Depth, Skin depth
In verliesgevende media (denk aan geleiders, kunststoffen),
zal een EM verschijnsel ten gevolge van verliezen,
wervelstroom en reflectie niet oneindig diep binnendringen.
De indringdiepte is die diepte haaks op het oppervlak
waarbij de elektrische veldsterkte tot 1/e (36.8%) van de
sterkte gedaald is welke direct onder het oppervlak (doch in
het materiaal) aanwezig is. Voor geleiders is de
indringdiepte (kleine delta) gelijk aan:
delta=1/sqrt(pi*sg*u*f)
sg=soortelijke geleiding in 1/Ohm, u=magnetische
permeabiliteit (niet de relatieve) in H/m, f=frequentie in
Hz, het resultaat is in m.
De weerstand van koperdraad voor HF bedraagt in orde van:
Rkoperdraad = 80*10-9 * sqrt(f) * le/d
f in Hz, le = lengte draad in m, d = diameter draad in m,
voorwaarde voor geldigheid: delta << d en RMS
opppervlakteruwheid << delta.
Ontwerpt u spoelen voor MF of HF toepassing?
Bedenkt u dan dat naast de extra verliezen ten gevolge van
het skin effect, er ook verliezen ontstaan doordat het door
de windingen opgewekte magnetisch veld in de
windingen wervelstroom opwekt. Dit staat bekend als het
"proximity effect". U kunt de Q-factor van luchtspoelen
daardoor niet bepalen aan de hand van de weerstand van het
koperdraad voor HF.
De stroomverdeling in een geleider is ten gevolge van het
skin effect afhankelijk van de frequentie. Hiermee is ook de
zelfinductie van de draad frequentie-afhankelijk geworden.
In geval van spoelen is de invloed beperkt, maar wel
aanwezig (in orde van procenten). Bij zeer lage frequentie
is de zelfinductie hoger dan bij hoge frequentie. De
karakteristieke impedantie van constructies wordt ook door
het skin-effect beïnvloed. Vooral als het magnetisch veld
door een groundplane heen kan dringen.
Inductieve Antenne, Inductive Antenna
Inductieve antennes zijn elektrisch gezien kleine antennes.
Het doel van de antenne is het opwekken van een magnetisch
veld of het omzetten van een magnetisch veld naar een
elektrisch signaal. Bij voorkeur dient een inductieve
ontvangstantenne niet gevoelig te zijn voor het elektrisch
veld. Inductieve antennes worden gebruikt voor communicatie
of energieoverdracht over afstanden welke veel kleiner dan
de golflengte zijn.
Voor de goede werking is het opgewekte magnetisch veld op
zekere afstand van belang. Het daadwerkelijk uitgestraald RF
vermogen is minder van belang (is veelal erg laag).
Inductieve antennes bestaan meestal uit een (half) open
spoel en een resonantiecondensator. De spoel kan
ferrietmateriaal bevatten. De condensator is nodig om het
sterk reactieve gedrag van de spoel te compenseren. De
antennes zijn relatief smalbandig. Men vindt ze veelvuldig
in Radio Frequency Identification Toepassingen (RFID), LF en
RF Antidiefstal systemen (EAS), lange golf en middengolf
ontvangers (ferriet staafantenne) en als meetantenne (EMC,
veldmetingen, etc).
Terug naar TeTech
Interferentie, Interference
Met (hinderlijke) Interferentie wordt in de radiowereld
meestal bedoeld de storende invloed van andere
(radio)signalen welke op de een of andere manier een systeem
binnen komen.
Onder interferentie wordt in het algemeen verstaan het
effect op de amplitude en fase van superpositie van signalen
welke nagenoeg gelijke frequentie hebben. De sterke van het
signaal en de fase varieert dan voortdurend. Hoe kleiner de
frequentieverschillen, hoe langzamer de variatie van fase en
amplitude. Frequentieverschillen kunnen ontstaan ten gevolge
van meerdere golffronten welke van dezelfde bron afkomstig
zijn (via reflectie). Indien, om wat voor reden dan ook, de
padlengte varieert ontstaat dopplerverschuiving
(=frequentieverschuiving). Zie ook "multipad effecten"
Is de frequentie en amplitude van de onderlinge signalen
exact gelijk, dan varieert de amplitude en fase van het
somsignaal ook niet (als functie van de tijd).
Terug naar TeTech
Invalshoek, Angle of Incidence
Dit is de hoek tussen de richting van de straling welke een
vlak treft en de lijn loodrecht op dat vlak. straling welke
loodrecht op een vlak invalt, heeft dus een invalshoek van 0
graden. De Grazing Angle of elevatiehoek bedraagt dan 90
graden.
In de optica en golfleer wordt vaak het begrip invalshoek
gebruikt. Terwijl in documenten over propagatie vaak de
Grazing Angle gebruikt wordt (deze is gelijk aan de
elevatie).
Ionosferische Propagatie
De aarde is omgeven door een aantal lagen waarvan de vrije
elektronendichtheid veel hoger is dan van de rest van de
gassen welke zich om de aarde bevinden. De vrije elektronen
geven deze lagen speciale eigenschappen. Opgemerkt dient te
worden dat hier geen sprake is van lagen met scherpe
overgangen. De ionisatie van een bepaalde laag neemt met de
hoogte geleidelijke toe en weer af.
Men onderscheidt:
D-laag hoogte: 50-95km (overdag)
E-laag (Kennely-Heavyside Layer) hoogte: 100-150km
F1-laag (Appleton Layer) hoogte: 150-300km (overdag)
F2-laag hoogte: 300-500km (overdag). F-laag hoogte: 200km
(gedurende de nacht)
De eigenschappen van deze lagen (geleiding, dielectrische
constante, fase snelheid) zijn sterk afhankelijk van: de
betreffende laag, de frequentie, het tijdstip van de dag,
aardmagnetisch veld en de zonneactiviteit. Het
generatieproces van vrije elektronen wordt immers gevoed
door de zon. Voor alle sterk geïoniseerde gassen geldt dat
voor lage frequenties de geleiding hoog is (met een
inductief effect), terwijl voor toenemende frequentie de
geleiding afneemt en het gas zich gaat gedragen als een min
of meer (slecht) diëlectricum met een sterk
frequentie-afhankelijke diëlectrische constante (welke
kleiner dan epsilon-nul is!). Een opsomming van de lagen:
D-laag: ionisatiegraad is laag, hoge recombinatie (relatief
hoge gasdruk). Voor zeer lage frequenties (in orde van 100
kHz) is de D laag dun ten opzichte van de golflengte en de
geleiding redelijk. De D laag werkt dan als een slechte
reflector voor radiogolven, vooral tijdens verhoogde
zonnevlek activiteit. De golven propageren tussen de aarde
en de D laag door middel van reflectie (net als in een
golfpijp). Dit is een van de redenen dat men op zeer lage
frequenties (10 - 200 kHz), grote afstanden kan overbruggen
(hogere mode golfpijp propagatie).
Bij toenemende frequentie tot rond de 2 MHz, neemt de
geleiding af (dus ook de echte reflectie) en dringen de
golven dieper in de laag en worden sterk geabsorbeerd (dus
geen reflectie meer, maar de golven komen ook niet of
nauwelijks door de laag heen). Deze laag is
hoofdverantwoordelijk voor de "lowest Usable Frequency"
(LUF). Voor hogere frequenties neemt de geleiding verder af
en dringen de golven er volledig doorheen. Door de relatief
hoge dichtheid van de nog aanwezige gassen, recombineren de
negatieve elektronen met de positieve ionen. Deze
geïoniseerde laag verdwijnt dan ook snel na zonsondergang.
Dit is de reden dat gedurende de nacht op de MG band
(500-1600kHz) wel verre stations te horen zijn.
In geval van intensere straling van de zon, neemt de
ionisatiegraad toe. De geleiding neemt dan toe wat leidt tot
hinderlijke adsorptie op hogere frequenties. Samengevat kan
gesteld worden dat voor HF communicatie in het 2..10 MHz
gebied de D-laag voor extra verliezen in de verbinding
zorgt.
E-laag: Ionisatiegraad is hoger, wat geringere recombinatie
dan de D-laag. Gedrag voor HF is overwegend verliesgevend
capacitief met een relatieve dielectrische constante van
minder dan 1 (dus fasesnelheid > c0). Reflectie
(in de praktijk deflectie) kan optreden tot ongeveer 5-10
MHz. Zie ook F-lagen. De Ionisatiegraad neemt gedurende de
nacht sterk af (daarmee ook zijn effectieve werking en
adsorptie voor hogere frequenties).
F-lagen:, lage gasdichtheid (geringe recombinatie), hoge
ionisatiegraad, aantal vrije elektronen per m3
vele malen groter dan in de D-laag. Gedurende de nacht gaat
de F1- en F2-laag over in de F-laag
In deze lagen is voor frequenties in het HF gebied de
relatieve diëlectrische constante kleiner dan 1 (dus
fasesnelheid is groter dan c0, en brekingsindex
van kleiner dan 1) en de verliezen zijn gering. Ten gevolge
van deze afnemende brekingsindex als functie van de hoogte,
worden golven teruggebogen naar de aarde. Als nu de
opstralingshoek maar niet te groot is, is de afbuiging
richting aarde voldoende om de golf ook daadwerkelijk weer
naar de aarde te doen terugkeren. In zo'n geval spreekt men
van ionosferische propagatie. In veel gevallen kunnen golven
welke nagenoeg recht omhoog gaan nog terugkeren naar de
aarde (wordt gebruikt in "Near Vertical Incidence Skywave"
(NVIS) communicatie).
Bij nog verdere verhoging van de frequentie is de
diëlectrische constante van de geioniseerde lagen niet meer
klein genoeg om de golven voldoende af te laten buigen opdat
zij de aarde weer kunnen bereiken. Zelfs niet als de
opstralingshoek 0 graden is. De maximale frequentie waarbij
nog "reflectie" optreedt, is sterk afhankelijk van het
aantal zonnevlekken en het jaargetijde en kan oplopen tot
boven 40 MHz. Gedurende de nacht halveert de frequentie
(grofweg) waarbij via de F-laag nog praktische propagatie
mogelijk is.
Een radiogolf (op bijvoorbeeld 20 MHz) uitgestraald met een
elevatie van 10 graden, bereikt de hoogst gelegen laag (F2
op een hoogte rond 400-600km) op een afstand van ongeveer
2000 km van de zender. Na "reflectie" komt deze 2000km
verderop weer op aarde. Anders gezegd: de maximale afstand
welke in een hop overbrugd kan worden, bedraagt rond de 4000
km (dit is de maximale "Single Hop" afstand). Door herhaalde
reflectie op het aardoppervlak (of de zee) kunnen grotere
afstanden overbrugd worden (boven 8000 km, "Multi Hop"
propagatie genoemd). Op een afstand van 2000 km is de zender
nagenoeg niet te ontvangen (de golven gaan over de RX
antenne heen). Het gebied waar geen ontvangst mogelijk is,
wordt de "Skip distance", "skip zone", "blind zone" of "dead
zone" genoemd.
Sporadische E-laag: Deze laag ontstaat onder invloed van
verhoogde zonneactiviteit (Gevolg: sterkere ioniserende
straling). De natuurkundige principes rond het ontstaan van
deze laag zijn niet precies bekend. Hij is af ten toe
aanwezig en bezit een hoge ionisatiegraad. Hij is in staat
om golven tot in het verre VHF gebied naar de aarde terug te
buigen.
Ionosferische propagatie is er een van tegenstrijdigheden.
Enerzijds wilt u de frequentie zo hoog mogelijk kiezen om
minder last te hebben van de absorptie van de D- (E-) laag.
Anderzijds kan de frequentie niet te hoog zijn omdat anders
de brekingsindex van de F lagen te dicht bij 1 ligt en de
golven niet meer naar de aarde teruggebogen worden, of
voorbij uw tegenstation op aarde terecht komen. Onthoudt u
dat communicatie in het HF gebied (3-30 MHz) over grote
afstanden plaats vindt door ionosferische reflectie, maar
dat in werkelijkheid sprake is van breking in een
(geïoniseerd) medium met afnemende brekingsindex als functie
van de hoogte. Een begrip als "Afbuiging" of "Deflection" is
meer op zijn plaats.
Er is diverse software beschikbaar om de demping van het
ionosferisch propagatiepad uit te kunnen rekenen (ook op
internet).
Terug naar TeTech
Ionosferic scattering.
De tegenhanger van troposferic scattering is ionosferic
scattering. Hoewel de E laag frequenties in orde van 50 MHz
niet meer voldoende afbuigt naar de aarde (uitgezonderd voor
sporadische E laag reflectie), kan wel scattering optreden.
Geioniseerde lagen zijn geen mooi vlakke lagen, doch lagen
waarvan de dikte en hoogte varieert en ook de vrije
elektronendichtheid. De brekingsindex voor radiogolven is
dus plaatsafhankelijk. Verschillen in brekingsindex
veroorzaken (in dit geval) geringe scattering waardoor een
klein gedeelde van het uitgezonden vermogen weer op aarde
terecht komt.
In de E laag is deze vorm van scattering praktisch
bruikbaar. De hoogte van de E laag strekt zich uit tot iets
boven 100 km. Dit komt overeen met een radiohorizon van 1300
km (in tegenstelling tot in orde van 200km voor troposferic
scattering). Afstanden in orde van 2000 km zijn overbrugbaar
in het lage VHF gebied. Het effect is echter bijzonder zwak
waardoor in orde van 100 dB meer demping aanwezig is dan men
zou verwachten op grond van vrije veld demping. Er treedt
ook snelle fading op waardoor een ruiserig
communicatiekanaal ontstaat. Zendamateurs maken geregeld
gebruik van Ionosferic Scattering. Commercieel zijn er (voor
zover ik weet) geen toepassingen.
Terug naar TeTech
Isotrope Straler, Isotropic Radiator.
Dit is een in werkelijkheid niet bestaande antenne, welke in
alle richtingen evenveel energie uitstraalt. In alle
richtingen produceert deze antenne op gelijke afstand een
gelijke vermogensdichtheid. Deze antenne wordt vaak als
referentieantenne gebruikt in rekenmodellen (te herkennen
aan de index "i").
In de praktijk worden antennemetingen verricht met antennes
waarvan de gain goed te bepalen is (aan de hand van
bijvoorbeeld de afmetingen in combinatie met berekeningen).
Daarna worden de meetresultaten omgerekend alsof zij met een
isotrope straler bepaald zijn.
voor wat betreft ontvangst, zijn antennes te maken welke bij
benadering isotropisch zijn. De gain van een isotrope
straler bedraagt 0dBi. De vermogensdichtheid (phi.P) op
afstand r bij een zendvermogen Pzender bedraagt: Phi.P =
Pzender/(4*pi*r2) in W/m2. Het
effectief oppervlak van een isotrope straler bedraagt lambda2/(4*pi).
Terug naar TeTech
Kanaalcodering, Channel Coding.
In praktisch alle gevallen van mobiele radiocommunicatie is
de overdracht van het denkbeeldig radiokanaal bijzonder
slecht (storing, ruis, fading). Dit leidt tot bitfouten in
de overdracht (bijvoorbeeld 30 foute bits nagenoeg achter
elkaar). Berucht zijn groepsgewijze bitfouten (burst
errors). Deze worden veroorzaakt door dips in de overdracht
(fading) of burst vormige storing. Hierdoor laat de
demodulator het tijdelijk afweten. De meeste
coderingsalgoritmen voor digitale data (zelfs
foutherstellende) kunnen slecht tegen burst errors.
Door voor de modulator eerst de bitstroom van volgorde te
wijzigen en direct na demodulatie weer terug te zetten in de
juiste volgorde, worden groepsgewijze bitfouten omgezet tot
nagenoeg willekeurig enkele bitfouten. Dit proces noemt men
kanaalcodering (eng: "Channel Coding" ook wel met
"interleaving" aangeduid). Er zijn diverse methoden in
omloop, bijvoorbeeld: Block, diagonal en convolutional
interleaving.
Door middel van bijvoorbeeld Forward Error Correction (FEC)
kunnen deze willekeurig verspreide enkele bitfouten in de
ontvangen bitstroom prima gecorrigeerd worden.
Knife Edge Diffraction
Knife Edge Diffraction is het buigen van golven over een
oneindig dun verticaal vlak dat loodrecht op de
stralingsrichting staat (een vorm van divergentie). Met
behulp van een simpele formule is uit te rekenen hoe groot
de "demping" van zo een opstakel is (bijvoorbeeld het dak
van een gebouw). Het opstakel mag boven de direct zichtlijn
uit steken. De uitgerekende demping komt boven op de vrije
veld demping.
Het model is alleen bruikbaar indien zonder het opstakel van
vrije veld overdracht sprake zou zijn (eerste Fresnel zone
bevat uitsluitend de scherpe rand als opstakel). Hoewel de
formules uit gaan van een oneindig dun obstakel, gaat het
model ook redelijk op voor in de praktijk voorkomende
obstakels zoals bergkammen, bergen en hoge gebouwen. Aan de
formules is goed te zien dat lage frequenties (dus grote
golflengtes) beter over de berg heen naar beneden buigen dan
hoge frequenties.
Er bestaan rekenmethodes waarmee het handmatig mogelijk is
om de demping van twee obstakels uit te rekenen. In geval
van drie obstakels, wordt het lastig om dit handmatig te
doen en kan beter naar een ander geschikt propagatiemodel
gezocht worden.
Terug naar TeTech
Longitude, Latitude
Lengte- en breedtegraden worden gebruikt bij het aanduiden
van plaatsen op aarde en het berekenen van onderlinge
afstanden en hoeken.
Lengtegraden (longitude) zijn de denkbeeldige verticale
cirkelbogen (meridianen) welke vanaf de noordpool via de
evenaar naar de zuidpool lopen. De nulmeridiaan loopt door
het Engelse Greenwich. De opdeling is in 360 graden (180 in
oostelijke richting, 180 in westelijke richting). De afstand
tussen de lengtegraden is afhankelijk van hoever men zich
van de evenaar bevindt.
breedte één lengtegraad = 111.11km*cos(breedtegraad).
Ter hoogte van Nederland (520 NB) bedraagt de
lengte in orde van 70km/lengtegraad
Breedtegraden (latitude) zijn de denkbeeldige cirkels
(parallelen) welke evenwijdig aan de evenaar lopen. De
opdeling is in 180 graden. De evenaar is nul graden, de
noordpool is 90 graden Noord en de zuidpool 90 graden Zuid.
De afstand (in N/Z richting) tussen de breedtegraden
bedraagt ongeveer 111.11 km per breedtegraad (60
mile/degree, 1 mile/minute, 1 mile=1.852km).
Een positie wordt aangegeven als (voorbeeld):
52o02.50'N 005o30.20'E (in
graden/minuten notatie)
of als 52.0417N 005.5033E (Decimale graden notatie).
[o] is het scheidingsteken voor de graden, [']
geeft de minuten aan, de [.] is het decimaal
scheidingsteken. In het graden/minuten systeem is één graad
opgedeeld in 60 minuten. De toevoeging van N of S en E of W
is noodzakelijk om aan te geven in welke deel van de aarde
men zich bevindt. Het is gebruikelijk om bij het aangeven
van de lengtegraden driecijferige notatie aan te houden
zoals in het voorbeeld (en tweecijferige notatie voor de
breedte graden).
Van graden/minuten notatie naar decimale graden notatie
omrekenen doet men door de minuten te delen door 60 (het
resultaat dient altijd kleiner dan 1 te zijn). Dit resultaat
telt men op bij de graden (getal links van o).
In oude boeken komt men ook nog wel graden/minuten/seconden
notatie tegen. Een minuut is hierbij weer opgedeeld in 60
seconden. ["] Wordt gebruikt voor de aanduiding van de
seconden.
Bijvoorbeeld: 52o02'30"N 005o30'12"E.
Het uitrekenen van afstanden.
Voor het uitrekenen van afstanden dient men gebruik te maken
van grote cirkel berekeningen (Great Cirkel Calculations).
Indien het verschil tussen de lengtegraden van de posities
kleiner is dan ongeveer 20 graden, dan kan men met verlies
van nauwkeurigheid ook af zonder Great Cirkel Calculations.
Het beste kan men dit doen door alle posities om te rekenen
naar decimale graden. Trek de decimale breedtegraden van
elkaar af en vermenigvuldig met 111.11km. Dit geeft de N/Z
component van de afstand. Trek de decimale lengtegraden van
elkaar af en vermenigvuldig het verschil met
111.11*cos(gemiddelde breedtegraad). Dit geeft de E/W
component van de afstand tussen de twee punten (in km). Tel
de beide resultaten kwadratisch op en trek de wortel eruit
(stelling van Pythagoras). Het verkregen getal is de afstand
tussen de twee coördinaten in km.
De hoek kan men vinden door gebruik te maken van de inverse
tangens uit de N/Z component gedeeld door de E/W component.
Let wel op dat in de wiskunde hoeken gedefinieerd zijn ten
opzichte van de horizontale X-as (linksom is positief). In
de kartografie en navigatie worden hoeken gedefinieerd ten
opzichte van de verticale Y-as (rechtsom is positief). Het
Noorden is 0 graden, het Oosten is 90 graden, Zuid is 180 en
West is 270, etc. U zult niet de eerste zijn die hiermee
flink de boot ingegaan is.
Terug naar TeTech
Lopende Golf Antennes
Lopende golf antennes zijn antennes waarbij geen gebruik
gemaakt wordt van resonante elementen. De antennes zijn vele
golflengtes lang. De golf welke zich in en langs de draad
verplaatst, wordt gedurende het reizen naar het eind van de
draad, omgezet in EM straling. Dat gedeelte van de energie
dat zich nog in de draad bevindt (in de vorm van spanning en
stroom), wordt gedissipeerd in en afsluitweerstand (en
reflecteert dus niet terug de bron in).
Er zijn diverse uitvoeringen, variërend van lange rechte
draden tot gespiraliseerde draad/printplaatconstructies.
Groot voordeel is het frequentiegebied waarbij de impedantie
nagenoeg gelijk blijft. Lopende golfantennes zijn doorgaans
breedbandige antennes. Voorbeelden: Beverage, rhombic,
conical spiral, divers helixantennes, diverse hoornantennes,
travelling wave inverted-V antenne.
Magnetica, magnetische materialen
(zacht) Magnetische materialen zijn materialen waarvan de
relatieve permeabiliteit veel groter is dan 1. Veelal worden
deze materialen ook als ferromagnetische materialen
aangeduid. Denk hierbij aan ferrietmaterialen en ijzer.
In tegenstelling tot ijzerlegeringen hebben Ferrieten en
poederijzers in de regel ook diëlectrische eigenschappen.
Men kan deze materialen zien als kleine magnetische
bolletjes welke onderling geïsoleerd zijn. De diëlectrische
constante is veel groter dan 1.
Magnetische materialen worden op diverse manieren
gespecificeerd. Enkele voorbeelden: De Hysteresislus,
permeabiliteit (mu-r), verlieshoek, remanente flux,
coërcitieve veldserkte, Q-factor, curiepunt, Reële deel van
mu-r (mu-r') en imaginaire deel van mu-r (mu-r", dit is de
component welke voor de verliezen zorgt).etc.
Een van de interessante toepassingen van ferriet materiaal
voor antennes is het gebruik in balun's. Bijzonder
breedbandige balun's kunnen met eenvoudige middelen
gefabriceerd worden.
Maximum Usable Frequency MUF
De "Maximaal Bruikbare Frequentie" (MUF, maximum usable
frequency) is die hoogste frequentie welke onder een zekere
elevatie (opstralingshoek, Take Off Angle, meestal 900)
nog door één van de geïoniseerde lagen naar de aarde
gereflecteerd wordt. Er bestaan meerdere definities van het
begrip MUF.
Hoe kleiner de opstralingshoek (elevatie) van het
zendsignaal, hoe hoger de frequentie mag zijn waarbij een
van de geioniseerde lagen nog als schijnbare reflector
werkt. Hoewel meestal gezegd wordt dat ionosferische
propagatie bij 30 MHz ophoudt, leert de praktijk dat
ionosferische propagatie onder bepaalde omstandigheden (veel
zonnevlekken) ook op 50 MHz en hoger nog mogelijk is.
De invloed van de elevatie op de maximale frequentie welke
nog gereflecteerd wordt is bijzonder groot. Een bundel met
een frequentie van 30 MHz welke recht omhoog gestuurd wordt,
"schiet" dwars door alle geïoniseerde lagen heen. Dezelfde
bundel (met dezelfde frequentie) kan nog prima gereflecteerd
worden als deze onder zeer kleine elevatie vanaf de aarde
uitgestraald wordt. De te overbruggen afstand zal in dit
geval in orde van 4000 km bedragen.
Er bestaan diverse programma's (bijv PROPMAN) waarmee
uitgerekend kan worden welke frequenties ideaal zijn voor
het overbruggen van een bepaalde afstand. Meestal is als
invoer wel het "sunspot" number en tijd van de dag gewenst.
Er is ook een LUF (Lowest Usable Frequency). Beneden deze
frequentie is geen reflectie via geioniseerde lagen
mogelijk. De reden hiervoor is dat de geioniseerde lagen op
geringere hoogte (D, E laag), radiogolven met lagere
frequentie absorberen. De radiogolven bereiken dan niet meer
de hogere lagen waarop reflectie (eigenlijk deflectie)
plaats kan vinden. Zie ook OFW (Optimum Working Frequency).
Terug naar TeTech
Medium, Propagation Medium
Onder het begrip "medium" of "propagatiemedium" wordt
verstaan het materiaal (eventueel het vacuüm of lucht)
waarin de (radio)golven zich uitbreiden.
In de ontdekkingstijd van de radiogolven werd het medium
lucht met de naam "ether" aangeduid. Het woord "etherpiraat"
is op dit begrip gebaseerd.
Een homogeen medium is een medium waarvan de eigenschappen
(golfimpedantie, demping, voortplantingssnelheid) niet
plaatsafhankelijk zijn. Eenzelfde medium kan zich voor
bepaalde golflengten als homogeen gedragen en voor andere
golflengten niet. Piepschuimplaten kan men voor radiogolven
als homogeen beschouwen, doch voor lichtgolven absoluut
niet. Indien onregelmatigheden in het medium gelijkmatig
verdeeld zijn, doch veel kleiner dan de golflengte, dan
spreekt men toch van een homogeen medium. Zie ook het begrip
"HILS medium".
Terug naar TeTech
|
|
Multipad Effecten, Multipath Effects,
Multipath
Onder multipad effecten worden alle propagatieeffecten
verstaan welke veroorzaakt worden doordat golven op meerdere
manieren tegelijkertijd een ontvanger kunnen bereiken.
Golven kunnen de ontvanger bereiken door reflectie op
diverse gebouwen, rechtstreeks, via reflectie op het water,
buiging langs gebouwen, reflectie op bewegende objecten
(auto's, voetgangers), etc. Het door de antenne afgegeven
signaal, bestaat uit de vectorsommatie van alle
afzonderlijke bijdragen.
Door de weglengte verschillen kunnen de golffronten elkaar
versterken, doch ook verwakken. De uiteindelijke overdracht
wordt daardoor zeer plaats-, frequentie- en tijdafhankelijk.
een kleine verplaatsing van de RX antenne over bijvoorbeeld
0.25 lambda, kan ervoor zorgen dat de overdracht sterk
wijzigt. Zie ook: "frequentie selectieve fading", "delay
spread" en "fast fading (Rayleigh Fading)".
Terug naar TeTech
Nabije, Overgangs- en Verre veld zone
De nabije veld zone(Eng: "Near Field Zone") Is die afstand,
gerekend vanaf de antenne, waarbij de verhouding tussen het
E en H veld niet gelijk is aan de vrije veld impedantie
(voor lucht ongeveer 377 Ohm). Deze zone strekt zich uit tot
ongeveer 0.5..1 lambda van de antenneconstructie. Het E en H
veld is in de tijd gezien, niet in fase. Daarom wordt deze
zone ook wel "reactieve veld zone" genoemd (Eng: "Reactive
Field Zone").
Op afstanden groter dan ongeveer 1 golflengte, ligt de
verhouding tussen E en H veel dichter bij 377 en zijn de
beide velden in de tijd gezien in fase (voorwaarden voor een
vlakke golf). Echter Het stralingsdiagram van de antenne is
afhankelijk van de afstand waarop het bepaald is. Het gebied
waar dit voor geldt wordt de "overgangszone" genoemd en
strekt zich uit tot ongeveer 2*b2/lambda meter
(bij praktische antennes kan dit gebied zich tot grote
afstand uitstrekken, b=grootste afmeting van de antenne).
Dit gebied wordt ook we "Fresnel Region" genoemd.
Indien men het stralingsdiagram bij afnemende afstand
bepaalt, wordt de gain in de hoofdbundel meestal lager
en in de zijlobben
hoger. Vooral de toename van de gain in de zijlobben dient men in
de gaten te houden. Berekening van optredende veldsterkten
voor personen welke zich binnen de overgangszone bevinden,
kunnen daardoor niet
standaard gebaseerd worden op het verre veld
stralingsdiagram.
Boven een bepaalde afstand tot de antenne is het
stralingsdiagram van de antenne niet meer afhankelijk van de
afstand en bevindt men zich in het verre veld gebied (Eng: "Far
Field Zone", "Fraunhoffer region", "fraunhofer region"). De
straling lijkt uit een denkbeeldig punt te komen.
Indien men berekeningen uitvoert aan antennes met
overlappend overgangsveld, dient men na te gaan in hoeverre
men de verre veld stralingsdiagrammen nog mag toepassen in
uw berekeningen.
Near Vertical Incidence Skywave (NVIS)
NVIS is de benaming van een principe om over, voor HF
begrippen, korte afstand (<300 km) te communiceren. De truc
is om op een zendfrequentie iets beneden de MUF (Maximum
Usable Frequency), het zendvermogen zoveel mogelijk omhoog
te stralen (near vertical incidence). Het gereflecteerde
signaal komt dan ook nagenoeg recht naar beneden. Diverse
bronnen rapporteren een paddemping in orde van 110 dB (dit
is best laag).
Indien u zorgt dat er evenwijdig aan het aardoppervlak
weinig vermogen uitgestraald wordt, heeft men geen last van
interferentie tussen ruimtegolf (sky wave) en grondgolf
(ground wave). Dit gaat het beste met een laag opgestelde
antenne (0.1..0.25 lambda hoogte) welke horizontaal
gepolariseerde golven opwekt.
Evenwijdig aan het aardoppervlak heft de op aarde
gereflecteerde golf de direct zicht golf nagenoeg op (dus
weinig straling in het horizontale vlak). Het reflectieveld
en directe veld dat recht omhoog gaat, heft elkaar niet op.
Een laag, horizontaal opgestelde dipool, of array van
gelijkfasig gevoede dipolen, is bijzonder geschikt voor
NVIS. Bij zeer laag opgestelde dipolen, kan de ondergrond
voor aanzienlijk verlies zorgen, en de bandbreedte neemt af.
Het vermogensverlies in de ondergrond kan sterk verminderd
worden door enkele draden, iets langer dan 0.5*lambda, onder
de antenne te leggen (parallel aan dipool). De gain in
verticale richting voor een halve golf dipool bedraagt in
orde van 7dBi
De optimale frequentie ligt tussen 2-10 MHz (lage deel
gedurende de nacht, hoge deel gedurende de dag, voor
radioamateurs betekent dit 160, 80 en 40m band). NVIS is
behoorlijk betrouwbaar met goede kanaaleigenschappen (weinig
fading en multipad effecten). Het wordt gebruikt door zowel
radioamateurs als professionele gebruikers (militair,
civiel). Bij gebruik van verticaal stralende array's en
beperkte vermogens (<100W), is frequentiehergebruik goed
mogelijk. Met NVIS is het mogelijk om in geval van
grootschalig uitvallen van bestaande infrastructuur snel een
noodnet op te zetten.
Numerical Electromagnetic Code
NEC2D is een simulatieprogramma om de stroomverdeling in
willekeurige geleidende structuren uit te kunnen rekenen
(door middel van Methods of Momentum "MoM"). Aan de hand
daarvan berekent het programma het stralingsdiagram, gain,
directivity, ingangsimpedantie, etc. NEC2D werd ontwikkeld
door het Lawrence Livermore National Laboratory (USA). Er is
ook een NEC4, maar hierop zijn exportbeperkingen van
toepassing. NEC2D is redelijk populair onder zendamateurs.
Volledig functionele NEC2D versies zijn gratis te
downloaden, inclusief de gebruiksaanwijzing (
NEC Archives ). In- en uitvoer gebeurt aan de
hand van tekstfiles. De gebruiker dient zelf (handmatig)
zijn structuur op te delen in (kleine) draadsegmenten of
gesloten vlakken. Er is behoorlijk wat kennis en ervaring
vereist om een goede afweging te maken tussen nauwkeurigheid
en rekentijd. De invoer van (gekromde) vlakken is tijdrovend
en de kans op fouten is groot. De software kan overweg met
een niet perfect geleidende ground. Constructies met
diëlectrische of magnetische materialen (denk aan patch
antennes) kunnen niet gesimuleerd worden.
Er zijn diverse commerciële (prijsgunstige) pakketen
beschikbaar welke als grafische schil rondom NEC2D
functioneren. "WireGrid" van
EMSS Electromagnetic software &
systems is krachtig, grafisch, vrij beschikbaar
en volledig functioneel (Helaas, de link is niet meer
functioneel). Niet uniforme discretesering is mogelijk. Het
bevat eveneens de NEC2D DOS executables. TeTech maakt
regelmatig gebruik van de combinatie WireGrid/NEC2D.
Terug naar TeTech
Oppervlakte golf, Surface Wave.
Meestal breiden golven zich uit via de lucht. Echter een
golf kan zich ook via een coaxkabel of golfpijp van punt A
naar B begeven. Er is nog een tussenvorm, de zogenaamde
oppervlakte golf. Hierbij begeeft de golf zich van punt A
naar punt B, gedeeltelijk via de lucht en gedeeltelijk via
een materiaal dat als "hulpgeleider" optreedt (er loopt dan
stroom in de hulpgeleider welke een positieve bijdrage aan
de stralingscomponent oplevert). Doordat op hoge frequenties
de stroom slechts beperkt in die hulpgeleider doordringt,
spreekt men van oppervlaktegolven. Oppervlaktegolven zijn,
afhankelijk van de frequentie en de eigenschappen van het
oppervlak, in staat om het oppervlak te volgen (ook als dat
krom is).
Goed geleidende grond (vette klei, zwaar bemeste vochtige
grond) of Water (vooral zout water) zijn goede elektrische
geleiders. Vooral Radiogolven in het lage MHz gebied en
lager (welke relatief diep in de bodem doordringen)
ondervinden weinig weerstand en worden goed overgedragen via
de aarde. De golven volgen de aardkromming waardoor de
zenders tot ver voorbij de radiohorizon te horen zijn. Als
zendantennes worden antennes gebruikt welke hoge stroom in
het aardoppervlak induceert (kwart/halve golf verticale
straler gevoed t.o.v. een aardnetwerk). Oppervlakte golven
kunnen zeer dicht bij, of zelfs in het aardoppervlak
ontvangen worden (bijv met een ferriet antenne).
Bij toenemende frequenties zijn golven minder geneigd om
krommingen te volgen en zij dringen minder diep de aarde in
(geeft hogere oppervlakteweerstand). Daardoor dempen
hoogfrequentie oppervlakte golven sneller uit (worden in
warmte omgezet). Oppervlaktegolf propagatie wordt dan ook
het meeste toegepast in het middengolfgebied en lager (lager
dan ongeveer 2 MHz).
Verticaal gepolariseerde golven welke onder een kleine hoek
een vlak treffen ("grazing angle" situatie), kunnen in dat
vlak eveneens oppervlaktegolven induceren (het opwekken van
oppervlakte golven kan dus ook met een antenne welke niet
ten opzichte van aarde gevoed wordt). Op VHF en hoger in
combinatie met TX en RX antennes welke boven de grond
opgesteld zijn, is de invloed van de oppervlaktegolf meestal
te verwaarlozen ten opzichte van de directe en de op aarde
gereflecteerde golf. Alleen in geval van communicatie over
zeewater, is de oppervlakte golf ook in het VHF gebied niet
altijd te verwaarlozen.
Oppervlaktegolf propagatie via het aardoppervlak is alleen
mogelijk met verticaal gepolariseerde antennes.
Een iets andere zienswijze.
Ieder EM veld dat een geleidend vlak treft, wekt daarin een
oppervlaktestroom op. In veel gevallen is het door de
oppervlaktestroom heruitgezonden veld, dicht bij het
oppervlak in tegenfase. Hierdoor is dicht bij het oppervlak
sprake van een afname van het E-veld (en vaak ook het
H-veld). Bovenstaande gaat altijd op voor horizontale
polarisatie. Zie ook: "tweestralen propagatiemodel".
Als onder bepaalde omstandigheden de door de
oppervlaktestroom heruitgezonden straling, de
oorspronkelijke straling, zeer dicht bij het oppervlak
versterkt (of in ieder geval niet volledig uitdooft),
spreekt men van oppervlaktegolf propagatie. Voor het
middengolfgebied kan aan de gewenste omstandigheden vaak
voldaan worden. Zie ook: "Brewster Angle".
Terug naar TeTech
Oppervlaktegolf transmissielijn
In de meeste gevallen van RF energietransport is sprake van:
geen geleiders (straling), twee geleiders (geleide golven)
of een dielectrisch materiaal (geleide golven, bijvoorbeeld
glasvezel). Er is nog een tussenvorm waarbij
energietransport plaats vindt op het interfacevlak van twee
verschillende materialen (via oppervlaktegolven). Een
bijzonder geval is de ééndraads transmissielijn.
Een zeer lange geleider (bijv 100 golflengtes) kan zich
gedragen als een lopende golf antenne (zoals gebruikt wordt
in de "rhombic" of lange eind gevoede "inverted V's"). De
meeste straling wordt uitgestraald in de richting van de
lopende golf, maar net niet in het verlengde (het
stralingsdiagram is als een smalle conus). Hoe langer de
lijn (qua golflengtes), hoe kleiner de tophoek van de conus.
Aan het eind van de lijn is, ondanks de straling, nog
behoorlijk wat energie over (welke bij lopende golf antennes
in een weerstand verstookt wordt).
Indien de voortplantingssnelheid van de lopende golf ietwat
vertraagd wordt (bijvoorbeeld door isolatiemateriaal om de
enkele draad), verdwijnt de conus (of wordt zeer smal) en
wordt er nagenoeg niets meer uitgestraald. Nagenoeg alle
energie blijft dicht bij de geleider en kan aan het eind
afgetapt worden. Dit is een speciaal geval van oppervlakte
golf transmissie. Vandaar de Engelse naam "Surface Wave
Transmission line". Men komt hem ook tegen onder de naam
"Goubau line" en "G-line".
Bochten in de lijn en obstakels geven aanleiding tot
(stralings)verlies. De toepassing is daardoor beperkt. De RF
energie wordt in- en uitgekoppeld door middel van een
conische (trechtervormige) coaxiale structuur, waarbij de
centrale geleider doorloopt als transmissielijn. Nieuwere
ontwikkelingen hebben betrekking op surface waves in vlakke
structuren (in het THz frequentiegebied) en Goubau lines
t.b.v lange afstand datatransport (bijv via
hoogspanningsmasten).
Oppervlakteweerstand, Surface Resistance
Op zeer lage frequenties loopt een stroom nagenoeg door het
gehele volume van een geleider. Bij hoge frequenties heeft
men te maken met de Skindiepte
(1/sqrt(pi*f*mu*spec.geleid)). De weerstand van de geleider
wordt dan voornamelijk bepaald door de breedte van de schil
waar de stroom doorheen gaat (en natuurlijk de lengte van de
geleider). Men kan nu een oppervlakteweerstand definieren:
R=lengte.oppervlak*spec.oppervlakteweerst/breedte.oppervlak.
De eenheid van de specifieke oppervlakteweerstand bedraagt
Ohm. In geval van stripvormige weerstandsmaterialen wordt
dit begrip ook gebruik (doch dacht ik meestal
vierkantsweerstand genoemd). De oppvlakteweerstand van een
plaat of draad waarbij de indringdiepte klein is ten
opzichte van de dikte van de plaat, verdubbelt voor iedere
verviervoudiging van de frequentie.
Waar de stroom loopt in een geleider, is dus afhankelijk van
de frequentie. Dit heeft ook gevolgen voor de zelfinductie,
zelfs in geval van luchtspoelen en zelfs bij verwaarlozing
van capacitieve koppeling. De zelfinductie van een spoel is
bij lage frequenties iets hoger dan bij hoge frequenties
(verschillen bedragen vaak minder dan 2%). De
karakteristieke impedantie van veel constructies wordt
beïnvloed door het skin effect. De mate van reflectie,
bijvoorbeeld van reflecterende vlakken voor schotelantennes,
wordt eveneens beïnvloed. Hoe hoger de oppervlakteweerstand
van een materiaal, hoe lager de reflectiecoëfficiënt.
Terug naar TeTech
Optimum Working Frequency, OWF, OFT, FOT
Zie ook MUF. De maximaal bruikbare frequentie MUF geeft die
frequentie aan waarbij onder bepaalde omstandigheden nog
reflectie naar de aarde optreedt (via de ionosfeer in het HF
gebied). Echter de frequentie waarbij optimale reflectie
optreedt, ligt meestal lager (in orde van 85% van de MUF).
Deze optimale frequentie wordt met FOT, OFT of OWF
aangeduid.
Men zou verwachten dat de optimale frequentie veel lager
ligt dan de MUF, maar men dient zich te realiseren dat
lagere frequenties door lager liggende geïoniseerde lagen
(vooral de D-laag) meer geabsorbeerd worden (demping recht
evenredig met 1/f2). Het signaal passeert lager
liggende lagen immers twee keer (op de weg omhoog en de weg
omlaag). De geleiding van de ionosfeer voor zekere
frequenties, is sterk frequentie-afhankelijk.
HF-Propagatieprogramma's zoals PROPMAN en VOACAP houden
rekening met het genoemde dempingseffect.
Parallel Polarization, Normal Polarization.
In de antenne en radiowereld heeft men meestal te maken met
golven welke zich in nagenoeg horizontale richting
uitbreiden. Dit heeft er toe geleid dat men van verticale
polarisatie spreekt indien de antenne een verticaal E- veld
opwekt. Als het E veld in het horizontale vlak ligt, spreekt
men van horizontale polarisatie.
De aarde als reflector ervaart door deze definitie een sterk
loodrecht op de aarde staande E-veld component in geval van
verticale polarisatie (en een aan de aarde evenwijdig
lopende E-veld component in geval van horizontale
polarisatie). Hoe echter om te gaan met reflectie op
verticale vlakken?. Dit is een kwestie van definitie:
In de antenne- en radiowereld spreekt men van een "verticaal
gepolariseerde invallende golf" op een vlak (vertical
polarized incident wave), indien deze een E-veld component
heeft welke loodrecht op het reflecterende vlak staat. Staat
het E-veld evenwijdig aan het vlak dan spreekt men van een
"horizontaal gepolariseerde invallende golf" (horizontal
polarized incident wave).
In de natuurkunde en optica gebruikt men een andere
definitie. Indien het E-veld in hetzelfde vlak ligt als
waarin de ingaande, gereflecteerde en doorgaande straal
ligt, spreekt men van "parallel polarization" (E-field
parallel to plane of incidence). Meestal aangegeven met het
"=" teken.
Indien het E-veld loodrecht op dit vlak staat, spreekt men
van "normal polarization" (E-field normal to plane of
incidence). Meestal aangegeven met het "loodrecht op" teken.
Ofwel: Verticaal gepolariseerde invallende golven (antenne
wereld) komen overeen met parallel gepolariseerde golven
(natuurkunde optica). Horizontaal gepolariseerde invallende
golven komen overeen met normal gepolariseerde golven. Zie
ook polarisatie.
Terug naar TeTech
Polarisatie, Polarisation.
De polarisatie geeft aan in welke vlak de elektrische
component van het EM veld zich bevindt. Indien de E veld
component verticaal staat (dus een elektron zou verticaal
gaan trillen), spreekt men van verticale polarisatie
(uitgaande van een zich in het horizontaal vlak uitbreidende
golf). Een halve golf dipool welke verticaal opgesteld is,
produceert een verticaal gepolariseerd veld.
Indien de E-veld component niet van richting verandert, doch
hooguit van teken (dus 180 graden fasesprong tijdens de
nuldoorgangen), dan spreekt men ven lineaire polarisatie (de
punt van de veldvector bevindt zich altijd op een
denkbeeldige rechte lijn indien de golven van u af gaan).
Dit is het geval bij verticale of horizontale polarisatie.
Door een antenne, of combinatie van twee antennes,
gelijktijdig een verticale en horizontale component op te
laten wekken. kan de punt van de E-veld vector een andere
dan rechte lijn beschrijven. Beschrijft de punt van de
E-veld vector een cirkel, dan spreekt men van circulaire
polarisatie. De pijlpunt kan echter linksom of rechtsom
draaien. Indien de golf van je af gaat (je kijkt tegen de
achterkant van de antenne) en de E-veld vector draait
rechtsom (met de klok mee), dan spreekt men van "Right Hand
circular polarisation" (RH circular). Deze definitie is
overeenkomstig IEEE std 211. Draait de vector linksom, dan
spreekt men ven "Left Hand circular polarisation" (LH
circular).
Beste overdracht wordt verkregen indien beide antennes van
hetzelfde type zijn. Is een van de antennes lineair
gepolariseerd, dan verliest men 3 dB. Circulaire polarisatie
wordt gebruikt indien het te verwachten is dat
polarisatiedraaiingen tijdens de propagatie voor kunnen
komen.
Indien de E-veld vector een ellips beschrijft, dan spreekt
men van elliptische polarisatie. Zie ook "Axial Ratio".
Opgemerkt dient te worden dat de polarisatiedefinitie welke
in de natuurkunde en optica gebruikt wordt exact
tegengesteld is aan de bovengenoemde. enige verwarring is
dus zeker mogelijk.
Terug naar TeTech
Poynting Vector.
De Poynting vector geeft in de driedimensionale ruimte de
richting en de sterkte van de vermogensdichtheid aan.
Meestal wordt het symbool S of P gebruikt. De eenheid
bedraagt W/m2. De Poynting vector is het
uitwendig product van de E- en H-veld vector. Indien E en H
dezelfde kant opwijzen, is het resultaat nul. Staan zij
haaks op elkaar en zijn zij in de tijd gezien in fase, dan
is de vermogensdichtheid maximaal.
Indien E en H haaks op elkaar staan en in de tijd gezien in
fase zijn, dan geldt voor de vermogensdichtheid (phi.P):
phi.P=0.5*E*H (Veld Amplitude invullen) = 0.5*E2/377
(voor verre veld in lucht). Indien momentaan E naar beneden
wijst en H naar links, dan gaat het golfvermogen van je af.
Integratie van de Poynting vector over een oppervlak, is een
maat voor het vermogen dat door het oppervlak gaat. Soms is
het handiger om van Energie uit te gaan.
Diegenen die zich verdiepen in EM-veld theorie zullen de
Poynting vector geregeld tegenkomen. Hoewel voor antennes
niet van belang, is de Poynting Vector en het Theorema van
Poynting ook toepasbaar op statische velden en
inschakelverschijnselen.
Poynting's Theorem, Theorema van Poynting.
De Poynting Vector geeft in geval van E- en H-velden de
vermogensdichtheidheid aan (W/m2). Men kan deze
vector zien als een soort van vermogensstroom. Indien u de
Poynting Vector integreert over een gesloten
oppervlak (bijvoorbeeld een bol), dan is het resultaat
gelijk aan het netto elektrisch vermogen dat uit het
gesloten oppervlak treedt (bijv een bol). Dit is het
principe van het Theorema van Poynting.
Om het vermogen uit te kunnen rekenen dat via elektrische
weg een constructie verlaat, is het voldoende om het E- en
H-veld te kennen ter plekke van een gesloten oppervlak
rondom de constructie. Het Theorema van Poynting wordt
vandaag de dag als een fundamenteel theorema gezien. Het
wordt echter niet altijd correct toegepast.
Stel u neemt een bol met straal r. Uw stralende constructie
bevindt zich in het midden van de bol. Als het boloppervlak
zich in het nabije veld van de constructie bevindt, dan
vindt men richtingen waarin er vermogen het oppervlak
uitgaat en denkt men een goede antenne ontworpen te hebben.
Helaas zult ook richtingen vinden waarbij er vermogen het
oppervlak in gaat (richting uw constructie). Het netto
uitgestraald vermogen kan daardoor aanmerkelijk lager liggen
dan verwacht.
Mensen welke zeer kleine efficiënte antennes denken te
hebben uitgevonden, misbruiken het Theorema van Poynting om
aan te tonen dat hun antenne echt efficiënt is. Hun betoog
benadrukt echter alleen die richtingen waarbij vermogen het
oppervlak verlaat, en "vergeten" te kijken naar die
richtingen waarbij vermogen naar de antenne terugkeert.
Propagatie, Propagation.
Propagatie betekent uitbreiding of verspreiding van iets. In
de techniek wordt met propagatie het uitbreiden van golven
bedoeld. Het vakgebied propagatie houdt zich bezig met de
manieren waarop golven zich uit kunnen breiden en het vatten
ervan in formules welke door Engineers gebruikt kunnen
worden.
Terug naar TeTech
Propagatieconstante, Propagation Constant.
De Propagatieconstante (eng: Propagation Constant) is een
complex getal dat aangeeft hoe de fase en amplitude van een
EM verschijnsel verloopt als functie van de afstand tot een
referentiepunt of de bron.
Voor de propagatieconstante geldt (a = alpha, b = beta, y =
gamma):
y = a + jb. Hierin is:
y = Propagatieconstante (Propagation Constant).
a = Dempingsconstante (Attenuation Constant)
en is gelijk aan: ln(spanningsdemping per meter
kabel)
(a = 0.116 * kabeldemping in dB/m).
De demping (dB/m) bedraagt 8.69*a.
b = Faseconstante (Phase Constant), en is gelijk aan
2*pi/lambda,
en is hiermee gelijk aan het golfgetal.
Vph = w/b w = 2*pi*f
Deze definitie beschrijft zowel de faseverschuiving als
amplitudeverhouding tussen twee punten op een zekere afstand
van elkaar (in, bijvoorbeeld, een kabel). Er geldt:
U(d) = U*e-(a + jb)d
U = complexe amplitude van de spanningsgolf op de ingang
van,
bijvoorbeeld, een kabelstuk.
d = afstand tussen de twee spanningsposities in meter.
U(d) = complexe amplitude van spanning op d meter afstand
tot
het referentiepunt of de bron.
Merk op dat zowel a als b sterk afhankelijk is van de
frequentie en de gebruikte transmissieweg (kabel, golfpijp,
etc). De afstand tussen de twee posities waarin men de
spanning of veldsterkte bepaalt, dient in het verlengde van
de golfuitbreiding te liggen. In geval van een kabel of
golfpijp is het de afstand tussen de twee posities waarin
men de complexe amplitude bepaalt. In sommige literatuur
wordt de faseconstante aangeduid met het begrip Golfgetal
(Wave Number, k). Het begrip propagatieconstante wordt veel
gebruikt in literatuur over gebonden en ongebonden
golfuitbreiding.
Voor vlakke golf uitbreiding in media kan y berekend worden
uit:
y = jw*sqrt(mu*eps)
Indien u geleiding van een materiaal verrekend in de
diëlectrische constante (dit resulteert in een complexe
Epsilon), kunt u van (slechte) geleiders de
propagatieconstante bepalen.
Indien u inductieve componenten op basis van grote
ferrietkernen ontwerpt, kunt u aan de hand van de gegevens
van het ferrietmateriaal bepalen of de golflengte in het
ferrietmateriaal nog wel veel groter dan de afmetingen van
het ferriet is. Vanwege de hoge mu en hoge eps, plant een EM
verschijnsel zich in een ferrietmeteriaal veel langzamer
voort dan in lucht.
Terug naar TeTech
Propagatiemodellen, Propagation Models.
"Progatatiemodellen" is de verzamelnaam voor alle methoden,
formules, grafieken en andere middelen waarmee men de
overdracht tussen twee of meer antenne kan voorspellen. Men
gebruikt de modellen voor globaal gezien twee doelen: het
berekenen van de gewenste overdracht (link budget
berekeningen) en het berekenen van de ongewenste overdracht
tussen twee antennes (interferentieberekeningen)
In de tijd dat computers geen gemeengoed waren, moest men
het stellen met grafieken of relatief eenvoudig te gebruiken
formules. Aan de hand van de bebouwingsdichtheid,
terreinoneffenheden, frequentie, antennehoogtes en andere
factoren kon men dan een indruk krijgen van de te verwachten
overdracht tussen antennes. Sommige modellen geven ook een
schatting van de te verwachten spreiding.
Veel van deze modellen zijn ontstaan uit een combinatie van
wiskunde, statistiek en emperisch verkregen resultaten. De
modellen worden meestal genoemd naar de onderzoeker(s).
Enkele veel gebruikte modellen: Hata, Okumura, Egli,
Blomquist-Ladell, Walfisch-Ikegami, 2-ray model, 3-ray
model, Longley-Rice, TIREM, ITU propation curves.
Met de opkomst van computers, kunnen de diverse meer exacte
propagatiemodellen snel doorgerekend worden. Indien voorzien
van een goede gebruikersinterface kan men relatief snel
goede propagatievoorspellingen maken. Deze modellen vereisen
wel vaak meer inputgegevens (zoals digitale hoogte kaarten,
grondgeleidingsgegevens, geografische details, etc). De
meest moderne pakketen voor het plannen van cellen t.b.v.
cellulaire netwerken en binnenhuis propagatie maken gebruik
van "Ray Tracing". Hiervoor zijn zéér gedetailleerde kaarten
nodig.
Bij het gebruik van een propagatiemodel (handmatig of met de
computer) dient men zich te verdiepen in onder welke
omstandigheden het model goede resultaten geeft en hoe groot
de spreiding op de resultaten is. Nagenoeg alle genoemde
modellen houden bijvoorbeeld geen rekening met ionosferische
propagatie en andere minder vaak voorkomende
propagatieverschijnselen. Modellen speciaal bedoeld voor het
uitvoeren van interferentieberekeningen houden wel rekening
met minder gebruikelijke propagatieverschijnselen.
Voor HF propagatie (via de ionosfeer) zijn eveneens goede
programma's beschikbaar (share/freeware).
Propagatievertraging, propagation delay
Dit is de tijdsvertraging die de golfenergie of informatie
ondervindt bij het zich verplaatsen (propageren) over een
afstand r. De Propagatievertraging is gelijk aan het product
van de groepsnelheid en de afstand.
De groepsnelheid is altijd kleiner dan c0
(lichtsnelheid). Ondanks dat de fasesnelheid wel hoger dan c0
kan zijn, propageert de energie (en dus ook informatie) zich
nooit sneller dan de lichtsnelheid.
Terug naar TeTech
Radar Cross Section, RCS.
De radar cross section is een maat voor de mate waarin een
obstakel, object of constructie de radiogolven reflecteert
in dezelfde richting als waar zij vandaan komen. Dit is
vooral van belang bij RADAR.
Een object dat aangestraald wordt door een Radar zal een
gedeelte van de opgevangen straling weer heruitzenden
richting de RADAR. Het lijkt of het object een zender is
geworden. Er geldt:
EIRPrichtingradar = RCS*vermogensdichtheid.
EIRPrichtingradar = het Equivalent Isotropically Radiated
Power in de richting van de radar in Watt,
Vermogensdichtheid = de sterkte van het veld ter plekke van
het object in W/m2, RCS = Radar Cross Section in
m2. Uit de formule blijkt dat de eenheid van RCS
vierkante meter bedraagt, vandaar dat het een oppervlak
betreft.
De RCS is sterk afhankelijk van de vorm van het object, de
hoek waaronder de straling invalt, eventuele aanwezigheid
van absorberende coatings en de frequentie van de straling.
De RCS van een staaf van een halve golflengte lang welke
loodrecht aangestraald wordt (met de juiste polarisatie),
bedraagt ongeveer 0.88*lambda2. De RCS van een
groot civiel vliegtuig bedraagt in orde van 100 m2
(sterk afhankelijk van de oriëntatie). Voor diverse
geometrische constructies zijn de RCS'en mathematisch
bepaald en terug te vinden in diverse boeken.
Radiantie, Radiance, L.
De radiantie (eng: "Radiance") is de stralingsintensiteit
(Watts per Steradiaal) dat per m2 van een bron
vertrekt. Het is een maat voor de felheid van een oppervlak.
Het symbool is L [W/(sr*m2)]. De bronnen zijn in
dit geval dus niet meer op te vatten als puntbronnen zoals
gebruikelijk is in de radicommunicatie.
Het begrip is van belang voor radiometrische camera's
waarbij het plaatje overeenkomt met de radiantie van het
voorwerp waarnaar de camera kijkt. De bestralingssterkte (in
W/m2) die de sensor ervaart, is recht evenredig
met de radiantie van het oppervlak in de richting van de
camera. Toepassingen liggen in het mm golfbereik (en
natuurlijk licht en Infrarood). Recente toepassing is de mm
wave camera t.b.v. zoeken naar lichaamsgedragen ongewenste
voorwerpen, bijv. (vuur)wapens.
In het algemeen geldt: L = Gi*M/(4*pi) [W/sr/m2]
Voor een bron met diffuus oppervlak geldt: L = M/pi [W/sr/m2].
De gain van een perfect diffuus oppervlak is 4 (exact)
Het begrip heeft alleen waarde ruimschoots binnen de verre
veld afstand (Fraunhofer Region) van een bron en komt men
daardoor in de radiocommunicatie zelden tegen.
In de verlichtingstechniek is het overeenkomstige begrip
"Luminantie" (Eng: Luminance, Brightness, Lv) in
lm/sr/m2.
Zie ook het begrip: "Emittantie, Radiant Exitance".
Terug naar TeTech
Radiohorizon.
De horizonafstand is de afstand gerekend vanaf het
elektrisch midden van de antenne tot aan de horizon.
Met toenemende hoogte neemt de brekinsindex af. Daardoor
buigen radiogolven iets naar de aarde toe en kunnen daardoor
tot voorbij de rekenkundige horizon komen. Men
verdisconteert dit door de straal van de aarde (ong 6370km)
een factor 4/3 groter te nemen. Na deze correctie geldt voor
de Radiohorizon: RH=4120*sqrt(antennehoogte in meter).
Indien twee antennes, welke beiden op 50m hoogte staan,
elkaar (voor radiogolven) nog net dienen te kunnen zien,
dienen zij 58 km uit elkaar te staan. De afstand bedraagt in
dit geval 2 maal de radiohorizon voor een enkele antenne.
Opgemerkt dient te worden dat door diverse andere
propagatiemechanismen radiogolven vaak veel verder dragen
dan de radiohorizon, doch soms ook minder ver.
Terug naar TeTech
Radiometrie, Radiometry.
Radiometrie is het vakgebied dat zich bezighoud met het
meten van stralingsgrootheden en de toepassing ervan. Men
komt het begrip tegen in de radio-astronomie en meting van
bijv infrarood en ultraviolet. Aangezien steeds meer
elektronicatoepassingen gebruik maken van kortgolvige
straling (mm gebied en korter), kan men het begrip
tegenkomen.
Als het meting van licht betreft, zoals dat waargenomen
wordt door het menselijk oog, spreekt men van fotometrie.
In de fotometrie wordt niet de Watt als primaire
vermogenseenheid, maar de Lumen (lm) gebruikt. Een
monochrome bron met golflengte van 550nm die 1W uitstraalt,
produceert 683 lm (exact). Voor andere golflengten wordt een
weging volgens de ooggevoeligheidskromme toegepast.
Terug naar TeTech
Reflectie, Reflection.
Reflectie is het verschijnsel dat een golf van richting
wordt veranderd ten gevolge van een verandering van
golfimpedantie van het medium. Hierbij doordringt de
reflecterende golf het tweede medium nagenoeg niet (de
eventueel gebroken golf doordringt het tweede medium
natuurlijk wel). De afstand waarover de verandering van
mediumeigenschappen plaats vindt, dient veel kleiner dan de
golflengte te zijn. Reflectie op water, glas of een spiegel
zijn sprekende voorbeelden. Een echo vanaf een wand of berg
is eveneens een voorbeeld van reflectie. Hoe sterker de
verandering van golfimpedantie, hoe meer energie
gereflecteerd wordt (en hoe minder door middel van breking
door het medium gaat) Er geldt hoek van inval is hoek van
reflectie. In het Engels "Angle of incidence is angle of
reflection". Zie ook "brewster angle"
De ingaande golf wordt in het engels met "Incident Wave"
aangeduid. De golf welke het medium (bijvoorbeeld glas)
ingaat, wordt "Transmitted Wave" genoemd. De gereflecteerde
golf wordt "Reflected Wave" genoemd. Let overigens goed op
de definitie van de hoeken. In de natuurkunde en optica
worden hoeken gedefinieerd ten opzichte van de normaal op
het vlak. Een loodrecht invallende golf heeft dus een
invalshoek van 0 graden. Bij reflectie op het aardoppervlak
gebruikt men vaak de elevatiehoek (zie ook "Grazing Angle").
Men onderscheid twee vormen van reflectie, spiegelreflectie
(Eng: "Specular Reflection") en diffuse reflectie (Eng:
"Diffuse Reflection"). Spiegelreflectie treedt op bij
overgangen (Eng: "Interfaces") waarbij de oppervlakte
ruwheid veel kleiner dan de golflengte is, zoals in het
geval van licht bij spiegelende oppervlakken. In deze
gevallen geldt Hoek van inval is hoek van reflectie. Indien
het oppervlak ruw is, worden de stralen alle kanten op
gereflecteerd (zoals bij een mat oppervlak). In de optica
wordt volledig ruwe oppervlakken aangeduid als een
"Lambertian surface".
Om daadwerkelijk van reflectie te spreken, dienen de
afmetingen van het reflecterend vlak vele malen groter te
zijn dan de golflengte van de invallende straling. Zie ook
"Divergentie".
Reflectiecoëfficiënt.
De reflectiecoëfficiënt van een materiaal is de verhouding
tussen de sterkte van de E-veld component van het invallende
veld en de E veld component van het gereflecteerde veld. Er
worden verschillende symbolen gebruik, onder andere rho en
gamma. De reflectiecoëfficiënt is dimensieloos.
De reflectiecoëfficiënt heeft zowel een grootte als een hoek
(complexe waarde). Het is te vergelijken met de
reflectiecoëfficiënt van een impedantie welke op een
coaxkabel aangesloten wordt.
Alle zeer goede geleidende vlakken hebben een
reflectiecoëfficiënt van nagenoeg -1 (alles wordt
gereflecteerd, doch in tegenfase, te vergelijken met een
kortgesloten coaxiale kabel). Dit ongeacht de hoek waaronder
de straling het vlak treft. Voor slecht geleidende vlakken
is de reflectiecoëfficiënt sterk afhankelijk van de
polarisatierichting en de hoek waaronder de golven het vlak
treffen. Indien de hoek met het vlak zeer klein is (stralen
bijna parallel aan het vlak "Grazing Angle"), dan bedraagt
de reflectiecoëfficiënt nagenoeg 1, doch wel in tegenfase.
Zie ook de begrippen: "Grazing Angle" en "Brewster Angle".
In geval van geluid is voor een golf vanuit lucht naar alle
zware dikke oppervlakken de reflectiecoëfficiënt nagenoeg
+1. Omgekeerd is vanuit alle zware media (water, metalen) de
reflectiecoëfficiënt van het zware medium naar lucht,
nagenoeg -1.
Terug naar TeTech
Reflectie en Oppervlaktegolf Propagatie
Stelt u zich voor dat een TX antenne onder een zeer kleine
hoek het aardoppervlak aanstraalt. Bijvoorbeeld een antenne
op een hoogte van 10 m, terwijl het reflectiepunt 100m ver
weg ligt. De elevatiehoek bedraagt dan 5.7 graden. Stel dat
de RX antenne zich op 200m afstand bevindt, eveneens op 10 m
hoogte. Het weglengteverschil tussen de directe en
gereflecteerde straal bedraagt dan 1m. Indien men de hoogte
van de ontvangstantenne laat afnemen, neemt ook het
weglengte verschil af (dit wordt 0 als de RX antenne op de
grond staat, de elevatie =2.8 graden).
Indien de polarisatie van de TX antenne horizontaal is,
ondergaat de gereflecteerde golf een fasedraaiing van
nagenoeg 180 graden, de reflectie is nagenoeg volledig. Voor
een RX antenne hoogte van nagenoeg 0m, is het
weglengteverschil eveneens 0m. Het gevolg is dat dicht bij
de grond de directe en gereflecteerde golf elkaar opheffen.
Dicht bij de grond is nagenoeg geen ontvangst.
Indien de polarisatie van de antenne verticaal is, is de
situatie sterk afhankelijk van de frequentie en de
eigenschappen van het reflectievlak. Indien het
reflectievlak oneindig goed geleidt, is het gereflecteerde
signaal in fase met de directe golf. De reflectie is
volledig. Het gevolg is dat de gereflecteerde golf in
gelijke fase bij de RX antenne aankomt met de directe golf
(indien het weglengteverschil veel kleiner dan de golflengte
is). Dicht op het aardoppervlak, waarbij het
weglengteverschil 0 is, versterken de golven elkaar volledig
(geeft 6 dB signaal winst).
Dit is de theoretische oppervlaktegolf situatie. De golf
welke op aarde terecht komt, introduceert oppervlaktestroom
(welke uiteindelijk voor de reflectie zorgen). Het
gereflecteerde veld sommeert met de directe golf (6dB
winst).
Het aard- en zeeoppervlak is echter niet oneindig goed
geleidend. Bij verkleining van de elevatiehoek in geval van
verticale polarisatie verdwijnt geleidelijk aan de reflectie
(is minimaal bij de Pseudo Brewster Angle, PBA). Doch bij
verdere verkleining neemt de reflectie weer toe en treedt
geleidelijk aan wel 180 graden fasedraaiing op.
Bij 10 MHz is de Pseudo Brewster Angle voor Zeewater minder
dan 1 graad. Zelfs bij een elevatie van 0.1 graden is voor
zeewater de reflectie nog niet in tegenfase en nog niet
volledig. Het gevolg is dat de directe golf zelfs bij zeer
kleine elevatie niet door de gereflecteerde golf uitgedempt
wordt. In de praktijk is zelfs op frequenties boven 30 MHz
nog oppervlaktegolf propagatie mogelijk over zeewater met
geringe antennehoogtes (mits verticale polarisatie gebruikt
wordt).
Voor landsituaties is de PBA aanmerkelijk groter (in orde
van 12 graden bij 10 MHz over kleigrond). Het gevolg is dat
bij kleine elevatie de reflectie nagenoeg in tegen fase is
en nagenoeg verliesvrij. Hierdoor heffen de directe en
gereflecteerde golf elkaar dicht bij het aardoppervlak
nagenoeg volledig op. Bij toenemende frequentie neemt de PBA
verder toe, waardoor van oppervlaktegolf propagatie geen
sprake meer is.
Echter in het MF gebied en lager, is de PBA dusdanig klein
dat, net als bij zeewater, zelfs onder zeer kleine elevatie
de gereflecteerde golf de direct zicht golf in ieder geval
niet volledig opheft indien de RX antennehoogte tot 0
nadert.
Alle middengolf en lange golf AM zenders en LF en MF
navigatiehulpmiddelen (LORAN-C, omni directional beacons)
maken gebruik van oppervlaktegolf propagatie (dus verticale
polarisatie). De antennes bestaan meestal uit hoge
verticale, ten opzichte van de aarde geisoleerde, masten of
parapluconstructies.
Terug naar TeTech
Resonante Antennes, Resonant Antennas.
Dit zijn antennes waarbij de antenne-elementen in resonantie
zijn. Het beste voorbeeld is de halve golf resonerende
dipool. De Yagi is ook een resonante antenne. Resonerende
antennes zijn het beste alternatief om met zo min mogelijk
verliezen en beperkte afmetingen elektrisch energie om te
zetten in EM energie.
Nadeel is de beperkte bandbreedte, vooral als de afmetingen
aanmerkelijk kleiner worden dan 0.25 lambda. De relatieve
bandbreedte van een halve golf dipool bedraagt in orde van
procenten (in orde van 4 MHz op een frequentie van 150 MHz).
Er zijn speciale constructies nodig om de bandbreedte te
vergroten (speciale conische dipoolvormen in combinatie met
aanpassingsnetwerken). Resonerende constructies welke
veelvouden van een halve golf zijn, hebben in de regel een
grotere bandbreedte. Een bekend voorbeeld is de resonerende
hele golf dipool welke in het midden wordt gevoed.
Indien de ruimte het toelaat, kunt een tweede resonerend
element toevoegen. De antenne gedraagt zich dan als een twee
krings bandfilter. Door iets overkritisch te koppelen (dan
ontstaat de bekende deuk in de overdrachtskarakteristiek),
verkrijgt men een grotere bandbreedte dan met een enkele
kring. Indien de afstand tussen de elementen veel kleiner
dan 0.25 lambda is, is het stralingsdiagram binnen de
(grotere) bandbreedte behoorlijk constant (als functie van
de frequentie). De ontwerpprocedure is bewerkelijk.
Resonantie, Opslingering, Resonance
Resonantie is de eigenschap dat bij bepaalde frequenties de
afhankelijke grootheid sterk toeneemt (opslingert) bij
gelijkblijvende sturende grootheid. Een ander kenmerk is dat
een constructie nog even naklinkt terwijl de bron als
verwijderd is. Dit naklinken kan zowel akoestisch als
elektrisch. Resonantie komt men overal tegen waar processen
beschreven kunnen worden met een tweede graads Differentiaal
Vergelijking (of van hogere graad).
Dit is het geval bij alle systemen waarbij energieopslag
plaats kan vinden in de vorm van stroming (kinetische
energie) en hoogte/druk (potentiele energie). Denk aan alle
systemen waarbij een bewegende massa zijn energie kwijt kan
in een verend iets, of een spoel (magnetische energie),
welke zijn energie in en condensator kwijt kan (elektrische
energie).
In bijna ieder systeem is wel een frequentie(gebied) te
vinden waarbij opslingering optreedt, denk aan bruggen bij
bepaalde windsnelheid, wielophangingen (veringen) bij auto's
en natuurlijk resonantiekringen in de elektrotechniek.
Ongewenste resonantie kan zeer desastreuze gevolgen hebben
vanwege de daardoor ontstane overbelasting (bruggen). Door
het verleggen van de resonantiefrequentie of het aanbrengen
van dempers kunnen de nadelige effecten in de hand gehouden
worden.
Gewenste resonantie wordt bijzonder veel gebruikt in de
techniek (filters, impedantie-aanpassing, analyse, opwekken
van hoge pulsvermogens, etc.
Terug naar TeTech
Return Loss, Double Return Loss
Het Return Loss is het relatieve verlies van het
gereflecteerde vermogen ten opzichte van het ingaande
vermogen. Het begrip komt men tegen in geval van kabels
(zowel LF als HF).
Return Loss = -20·log(Refl.Coeff.) =
-20*log([VSWR-1]/[VSWR+1])
Er bestaat ook een Double Return Loss (dit is geen officiële
term). Men kijkt dan naar de het verlies van de herhaalde
reflectie via de bron. De reflectie heeft dan twee maal de
kabellengte afgelegd. Als de bronimpedantie reflectievrij
is, wordt de reflectie van de belasting in de bron
geabsorbeerd. Er is dan sprake van een goed Double Return
Loss. Voor point to point verbindingen (dus geen bus
systemen) is het daardoor voldoende als tenminste of de
belastingsimpedantie, of de bronimpedantie goed op de
kabelimpedantie aangepast is. Als het gaat om maximale
vermogensoverdracht bij minimaal kabelverlies, dan dient
natuurlijk de bron en de belasting goed op de kabel
aangepast te zijn.
Er bestaat in de telefoniewereld een "Echo Return Loss
(ERL)". Dit is de RL gemeten met een breedbandig ruissignaal
(in de spraakband).
Terug naar TeTech
Ruimtegolf, Sky Wave, Sky Wave Propagation.
De ruimtegolf is die golf welke via een van de diverse
geïoniseerde lagen de aarde weer bereikt (en dus vanuit de
ruimte lijkt te komen). Een golf welke vanaf een satelliet
de aarde bereikt, is ook een ruimtegolf.
Sky wave propagatie wordt veel toegepast in het HF gebied
(3-30 MHz). Er zijn diverse geïoniseerde lagen welke
afhankelijk van het tijdstip van de dag, eigenschappen van
de zon en de frequentie als (schijnbare) reflector werken.
Op deze manier kunnen grote afstanden overbrugd worden. Via
reflectie op de aarde kan herhaalde reflectie optreden
(multi-hop) waardoor afstanden van meer dan 10.000km
overbrugd kunnen worden.
Speciaal in het lage HF gebied en daaronder (<3MHz), kan de
ontvangstantenne zowel door de grondgolf (som van direct
zicht golf en op aarde gereflecteerde golf) als ruimte golf
bereikt worden. Deze kunnen elkaar versterken maar ook
uitdempen. Dit kan sterke signaalschommelingen veroorzaken.
Door juiste antenne oriëntatie kan men de ontvangst van de
ruimtegolf of grondgolf verminderen waardoor stabiele
ontvangst verkregen kan worden.
Ruis, algemeen deel, Noise, general section
Valt dit ontwerp wel of niet onder antennes en propagatie?
Toch maar wel.
Ruis is een "signaal" waarvan de waarde in de toekomst niet
te voorspellen is. Het verloop als functie van de tijd is in
meer of mindere mate willekeurig. Ruis laat zich dan ook
niet beschrijven zoals een sinusvormig signaal.
Ruis laat zich beschrijven met behulp van begrippen als
effectieve waarde, vermogen, vermogensdichtheid,
bandbreedte, frequentiekarakteristiek, kansdichtheidsfunctie
(Probability Density Function, PDF) en
(auto)correlatiefunctie.
Van ruis is sprake indien het totale "signaalvermogen" van
de ruis opgebouwd is uit een som van nagenoeg oneindig veel
kleine signaaltjes. Deze kleine signaaltjes dienen onderling
niet samenhangend (gecorreleerd) te zijn. Ook storing
afkomstig van zeer veel bronnen lijkt daardoor sterk op
ruis.
Achtergrond Ontstaan van ruis:
Elektrische ruis vindt zijn ontstaan in bewegende lading.
Omdat lading beweegt, is meestal ook sprake van versnelling
en ontstaat er ook stralingsruis (EM-straling wordt opgewekt
door versnellende lading).
Veel ruis wordt veroorzaakt door het willekeurig op
microschaal bewegen van materie t.g.v. de temperatuur dat de
materie bezit. . Materie bevat ladingsdragers, ondanks dat
het elektrisch gezien neutraal is. De onsamenhangende
beweging van deze ladingsdragers (vooral elektronen)
produceert elektrische en magnetische velden (Johnson or
thermal noise).
Een bekend voorbeeld is weerstandsruis. Een weerstand kan
maximaal k*T Watt/Hz aan vermogen aan zijn omgeving leveren
(ong -174dBm/Hz). De klemspanning bedraagt:
Unoise = sqrt(4*k*T*R) in VRMS/sqrt(Hz).
Een andere vorm van ruis heeft rechtstreeks te maken met het
gekwantiseerd zijn van ladingsdragers. De stroom in een
voorwaarts ingestelde diode bestaat uit het oversteken van
ladingsdragers over de potentiaalbarrière. De gelijkstroom
kan men zien als een sommatie van kleine ladingspulsjes ter
grote van 1.6*10-19 A*s, C. Dit gaat echter niet
regelmatig. Dit produceert zogenaamde "shot noise" volgens:
Inoise = sqrt(2*Idc*|q|) in ARMS/sqrt(Hz)
Uit de kwantummechanica is bekend dat energieoverdracht
eveneens gekwantiseerd is volgens E = h*f (h = constante van
Planck). Het zijn de zogenaamde fotonen (photons). Hoe hoger
de frequentie van de spanning, stroom of EM straling welke
voor de energieoverdracht zorgt, hoe groter de elementaire
energiepakketjes zijn (hoe hoger de energie van het
bijbehorende foton). Deze ruis noemt men "photon shot noise"
of kortweg "photon noise". Voor het ruisvermogen in het
signaal geldt:
Pnoise = sqrt(Pdet*h*f)) in W, 1s meettijd
Pdet = vermogen dat op de detector terecht komt.
f = de frequentie van het aangeboden signaal.
Een belangrijk kenmerk van ruis is zijn cumulatieve
verdelingsfunctie (Cumulative Distribution Function) of
kansdichtheidsfunctie (Probability Density Function). Deze
functies zeggen iets over hoe groot de kans is dat een
bepaalde spanning- of stroomwaarde optreedt en welke
spanningswaarden het meeste voorkomen. Veel ruis is Gaussich
van aard. Voor de Gaussische kansverdelingsfunctie geldt:
De kans dat U > 0 is = 50%, deze ruis is symmetrisch rond de
0
De kans dat U > 0.5*effectieve waarde is = 31%
De kans dat U > 1.0*effectieve waarde is = 16%
De kans dat U > 1.5*effectieve waarde is = 6.7%
De kans dat U > 2.0*effectieve waarde is = 2.3%
De kans dat U > 2.5*effectieve waarde is = 0.6%
De kans dat U > 3.0*effectieve waarde is = 0.14%
De kans dat U > 4.0*effectieve waarde is = 0.0032%
Dezelfde waarden gelden ook voor de negatieve uitschieters
ofwel:
De kans dat U < -2.5*effectieve waarde is = 0.6%
De verhouding tussen de effectieve waarde (RMS) en het
gelijkgericht gemiddelde (AVabs) van Gaussische
ruis bedraagt: sqrt(pi/2), (ong. 1.253). Voor een sinus is
dit 1.111.
Dit geeft u een indruk over de uitschieters die men in
Gaussische ruis kan verwachten en de respons op een echte
gemiddelde waarde meter.
Het frequentiespectrum van de ruis wordt voornamelijk
bepaald door gewenste of ongewenste filtering. Alleen zeer
Laagfrequente ruis heeft van zichzelf vaak een scheve
frequentiekarakteristiek (vaak aangeduid met 1/f of 1/f2
ruis). Door filtering, lineaire versterking of
frequentieverschuiving kan de effectieve waarde toe- of
afnemen, maar de relatieve overschrijdingskansen blijven
gelijk (voor Gaussian noise).
Een speciaal geval is relatief smalbandige ruis (BW/fc <<
1). Deze ruis komt men bijvoorbeeld tegen in middenfrequent
gedeelten van ontvangers. Ook deze ruis is overwegend
Gaussich van aard. Dit geldt ook voor de Cosinus en
Sinuscomponten indien van kwadratuurnotatie gebruik gemaakt
wordt. Het ruisvermogen zit voor 50% in de I- en voor 50% in
de Q- component. De momentane fase is echter uniform
verdeeld (iedere mogelijke hoek komt even vaak voor). Indien
u gaat gelijkrichten (omhullende bepalen), dan is na
gelijkrichting de ruis niet meer Gaussisch verdeeld (er zijn
immers geen negatieve waarden meer en het gemiddelde ligt
boven 0).
Omhullende ruis is in de regel Rayleigh verdeeld (evt. Chi
verdeling met n=2, gebruik niet de Chi-kwadraat verdeling).
Bent u slechts geïnteresseerd in de gekwadrateerde waarde
van de omhullende (t.b.v. vermogensbepaling) dan dient u de
Chi-kwadraat verdeling (Chi-squared distribution) te
gebruiken (met n=2).
Indien de smalbandige ruis voorzien is van een
(draaggolfsignaal), dan kan de omhullende het beste
beschreven worden m.b.v. de Rice verdeling. Is de
ruiscomponent slechts zeer klein ten opzichte van de DC
waarde, dan kan men de AC ruiscomponent als Gaussisch
verdeeld beschouwen.
Voor een signaal of ruis dat uit een AC en DC component
bestaat geldt:
Vermogen in één Ohm = DCcomp2 + ACcompRMS2
Terug naar TeTech
Ruisgetal, Noise Figure
Het ruisgetal is 10*log van de verhouding tussen de totale
ruisbijdrage van een systeem en de ruisproductie van een
weerstand met temperatuur van 293K. De Bron is hierbij
geacht te ruisen als een weerstand met een temperatuur van
293K.
F=10*log{(Pnv+Pnb)/Pnr}.
Pnv=ruisproductie van versterker (W/Hz), Pnb=ruisproductie
van de bron (-174dBm/Hz), Pnr=ruisproductie van weerstand op
293K (-174dBm/Hz).
De combinatie van een versterker met een ruisgetal van 3 dB,
aangesloten op een thermisch ruisende bron op 293K,
produceert totaal 2 keer zoveel ruis als een weerstand met
een temperatuur van 293K. De versterker alleen, produceert
evenveel ruis als een weerstand op 293K (de totale ruis is
namelijk gelijk aan de som van de door de versterker
geproduceerde ruis en de door de bron geproduceerde ruis).
Een versterker met een ruisgetal van 0.7dB, produceert zelfs
slechts 17% van het ruisvermogen van een weerstand op 293K.
De versterker heeft slechts een ruistemperatuur van
0.17*393 = 51K.
Het ruisgetal van een versterker of actieve component (FET,
Transistor), wordt alleen bereikt als de uitgangsimpedantie
van de bron binnen zekere -door de fabrikant gestelde-
grenzen ligt. Ligt de bronimpedantie daarbuiten, dan neemt
het ruisgetal toe (dus produceert de versterker meer ruis).
Ruistemperatuur, Noise temperatuur
Er zijn veel varianten op dit begrip, doch de
ruistemperatuur van een systeem of component dat ruis
opwerkt, is gelijk aan de temperatuur die een weerstand moet
hebben welke net zo veel ruis produceert (W/Hz) als het
systeem daadwerkelijk produceert. Hierbij dient de waarde
van de weerstand gelijk te zijn aan de uit- of
ingangsweerstand van het systeem of component.
Een weerstand produceert een ruisvermogen dat maximaal
gelijk is aan: Pn = kTB
k=constante van boltzmann: 1.38*10-23 J/K, T is Absolute
Temperatuur in K, B is de bandbreedte welke voor het systeem
van belang is, in Hz. Bij 293K bedraagt dit -174dBm/Hz
Men onderscheidt diverse begrippen:
1. Antenneruistemperatuur. Is de ruistemperatuur van een
antenne-installatie. Begrip wordt veelal gebruikt in de
satellietcommunicatie.
2. Operationele ruistemperatuur. Is de ruistemperatuur van
een geheel systeem, inclusief kabels, antennes versterkers,
etc. Het begrip wordt meestal gebruikt in de
satellietcommunicatie om de ruisproductie van een
satellietgrondstation weer te geven.
3. Ruistemperatuur van de hemel. De ruistemperatuur van de
hemel telt op bij de systeemruistemperatuur. De
achtergrondruis bedraagt normaliter rond de 4K, doch via
reflectie op wolken en luchtlagen kan door de aarde
uitgestraalde ruis weer naar beneden reflecteren en zodoende
een aanmerkelijk hogere ruistemperatuur verzoorzaken. Dit
speelt vooral bij antennes welke onder een kleine
elevatiehoek opgesteld staan.
Ruis in antennes en ten gevolge van straling is prima te
vatten indien men zich realiseert dat: Indien een antenne
als zendantenne gebruikt wordt en X procent van het
zendvermogen komt terecht op een voorwerp, dan zorgt dit
voorwerp voor een ruistoename van X*Tvoorwerp/100 graden
Celsius. Deze relatie gaat ook op voor verliezen welke in
kabels of de antenne zelf optreden. Ofwel een obstakel met
T=300K in de bundel van een grondstation dat 5% zendvermogen
absorbeert, draagt 0.05*300=15 graden bij aan de
ruistemperatuur van het grondstation.
Terug naar TeTech
Specific Apsorbtion Rate (SAR).
De "Specific Absorption Rate" (SAR) is de hoeveelheid warmte
welke een EM veld opwekt in (menselijk) weefstel. De eenheid
is W/kg. Het begrip komt men tegen in documenten over
stralingsveiligheid met betrekking tot Elektrische of
Magnetische velden en EM straling.
Een lezenswaardig document op het gebied van
stralingsveiligheid is uitgegeven door
ICNIRP. Veel nationale
richtlijnen zijn van dit document afgeleid. U kunt de
"ICNIRP Guidelines" in diverse talen downloaden van de
ICNIRP website .
Skip Distance.
De Skip Distance is dat afstandgebied waarbij de grondgolf
(ground wave) niet meer ontvangen wordt en de ruimtegolf
(skywave) nog niet ontvangen kan worden omdat deze de aarde
nog niet bereikt heeft. Zie ook "Ionosferische Propagatie".
Terug naar TeTech
Spectrale Vermogensdichheid
De spectrale vermogensdichtheid is de hoeveelheid vermogen
per eenheid van bandbreedte van een signaal. De eenheid is
W/Hz.
Oneindig lang ingeschakelde sinusvormige bronnen, bezitten
slechts één frequentie (ze zijn oneindig smalbandig), zodat
al het vermogen zich op 1 frequentie bevindt. De
vermogensdichteid van een zogenaamd discreet signaal is dan
ook oneindig hoog. In figuren of afbeeldingen wordt dit
aangegeven door een verticale lijn met pijlpunt
(voorstelling van een Dirac puls).
Niet gefilterde ruis heeft een volledig vlak
vermogensdichtheidspectrum. Het vermogen binnen een zekere
bandbreedte, vindt men door integratie van de
vermogensdichtheid over de zekere bandbreedte. Indien binnen
de bandbreedte, de vermogensdichtheid vlak is, geldt:
P = Bandbreedte * vermogensdichtheid.
Indien men de vermogensdichtheid specificeert voor een
zekere bandbreedte, dan spreekt men van de gemiddelde
spectrale vermogensdichtheid. Het totaal vermogen vindt men
dan door de gemiddelde spectrale vermogensdichtheid te
vermenigvuldigen met de betreffende bandbreedte. In
satellietcommunicatie wordt als referentiebandbreedte vaak
4kHz gebruikt.
Sporadische E laag reflectie (afbuiging).
Zie ook ionosferische communicatie. In sommige gevallen
bevinden zich in de E laag "wolken" met afmetingen tot
honderden km waarbij de vrije elektronendichtheid veel
groter is. Dit wordt onder andere veroorzaakt door grotere
activiteit van de zon. Doordat dit niet regelmatig optreedt,
spreekt men van een Sporadische E laag (Es). Door
de hogere vrije elektronendichtheid, worden veel hogere
frequenties dan normaal nog naar de aarde teruggebogen (tot
boven 50 MHz). Op deze manier kan men op VHF gebruik maken
van propagatieprincipes welke normaliter alleen op HF
mogelijk zijn. Doordat het effect sporadisch aanwezig is, is
het tot nu toe niet commercieel aantrekkelijk gebleken om
dit uit te buiten. Zendamateurs maken er echter veelvuldig
gebruik van.
In de noordelijke en zuidelijke streken wordt t.g.v. de
magnetische polen, zoveel energie afkomstig van de zon
ingevangen (welke in de geioniseerde lagen terecht komt),
dat in de E laag voor het oog zichtbaar licht geproduceerd
wordt. Men spreekt dan van een Aurora. Aurora's komen het
vaakst voor in de N en Z poolgebieden. Echter bij zeer
sterke activiteit van de zon, is de aurora ook zichtbaar
vanuit Nederland (52 graden NB).
Terug naar TeTech
Staande golf verhouding, (Voltage)
Indien in een medium (kabel, golfpijp, lucht) uitsluitend
golven een kant opgaan, is de amplitude van het
golfverschijnsel plaatsonafhankelijk. Hooguit neemt de
amplitude af ten gevolge van demping of divergentie. In
geval van gebonden transmissie (kabel, golfpijp) en
verwaarlozing van de demping, is de amplitude van stroom en
spanning langs de kabel of golfpijp overal gelijk.
Indien reflectie ontstaat ten gevolge van onjuiste
afsluiting, interfereert de gereflecteerde golf met de
heengaande golf. Dit resulteert op vaste plaatsen in de
kabel of golfpijp tot een lagere en hogere amplitude. Omdat
de plaatsen van de minima en maxima vast liggen, wordt
gesproken van een staande golf. De maxima en minima wisselen
elkaar af en de afstand tussen een maximum en minimum
amplitude bedraagt een kwart golflengte
De verhouding tussen de maximale en minimale amplitude welke
men langs de transmissielijn kan vinden, wordt de "staande
golf verhouding" genoemd (Eng: Standing Wave Ratio, SWR).
Meestal wordt de amplitude van spanning of E-veld bepaald
met behulp van een "diode probe". Men spreekt dan van de
spanning staande golf verhouding (Eng: Voltage Standing Wave
Ratio, VSWR).
Er is een vaste relatie tussen de VSWR en de
reflectiecoëfficiënt. Er geldt:
VSWR = (1 + |refl.coeff.|)/(1 - |refl.coeff.|)
De verticale strepen geven aan dat de absolute waarde
bedoeld wordt. Indien de belasting reëel is, geldt:
VSWR = Z0/ RL (Z0 > RL),
VSWR = RL/ Z0 (Z0 < RL)
Een reflectiecoëfficiënt van 0 resulteert in een VSWR = 1.
Volledige reflectie resulteert in een VSWR = oneindig. Een
slechte VSWR veroorzaakt hoge stroom- en spanningsmaxima in
de kabel (bij gelijk overgedragen vermogen). De
kabelverliezen nemen daardoor toe. De maximaal toelaatbare
spanning en/of kabeldissipatie kan overschreden worden. De
meeste zendapparatuur vereist een VSWR van minder dan 2.
In veel gevallen wordt de reflectiecoëfficiënt daadwerkelijk
gemeten, en de bijbehorende VSWR wordt weergegeven. Slechts
op relatief hoge frequenties (waarbij de golflengte
voldoende klein is) kan men daadwerkelijk de VSWR bepalen
met behulp van een coaxiale structuur met sleuf (slotted
coaxial line), golfpijp met sleuf (slotted wave guide) of
stripline.
Wist u dat u met behulp van een gecalibreerde RF probe en
een slotted line aan de hand van de ligging en waarde van de
maxima en minima, de complexe impedantie kan bepalen (dus
reëel en imaginair deel) van de belasting? Als u slechts
weinig metingen uitvoert in een beperkte frequentieband, is
dit een alternatief voor een dure RF Network Analyzer.
Staande golven ontstaan ook in situaties waarbij sprake is
van ongebonden golfuitbreiding, maar daar wordt het begrip
(V)SWR meestal niet gebruikt. Soms komt men een stroom
staande golf verhouding tegen (CSWR). Deze is voor wat de
waarde betreft gelijk aan de VSWR.
Steradialen, Steradians, Square Radians
Stel een cirkel heeft een straal van 1 m (de zogenaamde
eenheidscirkel). Dat een hoek van 900 overeenkomt
met 0.5·pi radialen, komt omdat het stuk cirkelboog een
lengte geeft van 0.5*pi meter. Om deze reden komt 3600
overeen met 2*pi radialen.
Stel een bol heeft een straal van 1m (de zogenaamde
eenheidsbol). Vanuit het midden van de bol wordt een
lichtbundel uitgezonden met een openingshoek van precies 1
graad (zowel horizontaal als verticaal gezien). Op de
binnenzijde van de bol wordt nu een vierkantje geprojecteerd
van 17.5*17.5 mm2. Dit heeft een oppervlak van
304.6*10-6 m2. Het geprojecteerde
oppervlak is gelijk aan de zogenaamde ruimtehoek (solid
angle), uitgedrukt in steradialen (sr).
Als de lamp de volledige bol belicht, wordt een oppervlak
van 4pi m2 belicht (dus 4pi sr). Indien de lamp
een kwart van de bol verlicht, is de ruimtehoek: pi sr.
Omdat de bundelbreedte 1 bij 1 graad bedraagt, is deze
ruimtehoek gelijk aan één vierkante graad (square degree).
Er gaan ongeveer 41253 vierkante graden in de
driedimensionale ruimte.
Het begrip ruimtehoek (solid angle, symbool "omega") komt
men veel tegen in de radiometrie, verlichtingstechniek en in
mindere mate bij antennes. De "Radiation Intensity" komt
overeen met het aantal uitgezonden Watts/sr. Als je dit
deelt door r2, vindt je de stralingsdichtheid
(vermogensdichtheid, PFD) op afstand r.
Het bestraald oppervlak op afstand r is gelijk aan:
Abestr.bol. = ruimtehoek*r2
Waarin: Abestr.bol = bestraald boloppervlak in m2,
r = afstand in m, ruimtehoek = ruimtehoek van de bundel in
sr (dus niet in graden).
Men kan de ruimtehoek ook terugrekenen uit het bestraalde
boloppervlak en de straal van de denkbeeldige bol.
Ruimtehoek = Abestr.bol/r2
waarin: Abestr.bol = het bestraalde boloppervlak in m2,
r = de afstand tussen bron en denkbeeldig boloppervlak in m.
Indien de lijn r vanuit het centrum tot een plat vlak overal
nagenoeg loodrecht op het vlak terecht komt, geldt bij
benadering:
Ruimtehoek = Avlak/r2
waarin: Avlak = het oppervlak van het platte gunstig
georiënteerde vlak in m2, r = de afstand tussen
het centrum en het platte vlak.
De ruimtehoek die een antenne met openingshoek alpha
bestraalt (in feite een conus met tophoek alpha)
bedraagt (exact):
Ruimtehoek = 2*pi*(1-cos(alpha/2) )
Terug naar TeTech
Straal, Stralen, Ray, Bundel, Beam.
In de volksmond spreekt men vaak van stralen en bundels. Een
straal, zoals men meestal weergeeft met een lijn voorzien
van een pijl, wekt de indruk dat stalen dun zijn. Het begrip
straal geeft echter niets meer aan dan de richting waarin
een golfverschijnsel zich uitbreidt. Het begrip straal zegt
dan ook niets over dikte van golfenergie. De
stralingsrichting staat altijd loodrecht op het golffront.
Meestal gaan stralen rechtuit, doch indien golven obstakels
treffen, kunnen de stralen van richting veranderen
(reflectie) of krom lopen (breking, diffractie).
Het begrip bundel wordt gebruikt om aan te gevan dat een
golfverschijnsel zich slechts in beperkte ruimte (doorsnede)
uitbreidt. Hierbij valt te denken aan een bijvoorbeeld een
zaklamp of een sterk gerichte antenne. Voorbij een zekere
afstand (de verre veld afstand), neemt de breedte van de
bundel rechtevenredig met de afstand tot de bron toe.
Als een bundel zich echter ongehinderd uit moet kunnen
breiden, dan heeft deze ruimte nodig (vrij van obstakels).
Hoe hoger de frequentie en kleiner de te overbruggen
afstand, hoe smaller een bundel mag zijn opdat alle
golfenergie nog op zijn bestemming aankomt. Zie ook Fresnel
Zone.
Stralingscentrum, Radiation Centre.
Het stralingcentrum van een antenne is dat punt van waaruit
de straling lijkt te komen. Van antennes met een exact
symmetrische stroomverdeling (elektrische of magnetische
dipolen) bevindt het stralingscentrum zich in het midden van
de antenne.
Van een verticaal opgestelde halve golf staaf welke aan het
eind gevoed wordt, ligt het stralingscentrum bij goede
benadering 0.22*lambda boven de antennevoet.
Van antennes welke ten opzichte van een ingegraven
aardnetwerk gevoed worden (zoals middengolf antennes) wordt
meestal het stroomcentrum opgegeven. Dit is het zwaartepunt
van de stroomverdeling. Voor een verticale kwartgolf straler
ligt dit op ongeveer 0.15*lambda boven het voedingspunt.
Voor een halve golf straler ligt dit op ongeveer 0.22*lambda
boven het voedingspunt. De ligging van het stralingscentrum
van dit soort antennes is sterk afhankelijk van de
grondgeleiding op het pad van TX naar RX antenne. Daarom
wordt het begrip bij dergelijke antennes niet vaak gebruikt.
Terug naar TeTech
Stralingsdruk, Radiation Pressure
Hoewel voor antennes niet van belang, is het wel
opmerkelijk. Indien EM straling (dus ook licht) van richting
verandert of (gedeeltelijk) geabsorbeerd wordt, dan oefent
de straling een druk op het oppervlak uit. De druk is
maximaal indien de straling loodrecht invalt en volledig
gereflecteerd wordt.
Druk (P) = 2*PFD/c
Druk in N/m2 (Pa), PFD = vermogensdichtheid van
de EM straling in W/m2, c = lichtsnelheid in m/s.
In de aardse praktijk is de invloed van stralingsdruk te
verwaarlozen (c is zo groot).
De stralingsdruk t.g.v. loodrecht invallende straling wordt
veroorzaakt door de krachtwerking van het B-veld (B = u*H)
op de gëinduceerdeoppervlakte stroom in het geleidend vlak
(deze zijn in de tijd gezien in fase). De oppervlaktestroom
wordt opgewekt door de E-veld component van de straling.
Men kan de stralinsdruk ook bepalen aan de hand van
Quantummechanica. Van belang is: Vermogensintensiteit (PFD
[w/m2]), E = h*f = mc2 (E = energie
[J, W*s], h = constante van Planck), het momentum van een
photon (p = h*f/c2 [kg]), het aantal photons dat
per m2 passeert (N = PFD/(h*f), N=aantal
fotonen/s per m2) en tot slot F = d(momentum)/dt.
Bij volledige reflectie komt men op hetzelfde resultaat P =
2*PFD/c.
Hiermee is een rechtstreekse link gelegd tussen
quantummechanica en tradionele EM-veld theorie weaarbij
golven als een continu in plaats van discreet verschijnsel
gezien worden.
Terug naar TeTech
Stralingsintensiteit, Radiation Intensity, I
De Stralingsintensiteit (eng: "Radiation Intensity", ook wel
"Radiant Intensity") is de hoeveelheid vermogen dat per
ruimtehoek (Solid Angle) uitgestraald wordt. De eenheid is
W/sr, symbool meestal U (Krauss) en in de radiometrie I. Het
begrip komt men veelvuldig tegen in de fotometrie ("luminous
Intensity", lichtsterkte, Iv [in Candela,
lm/sr]), radiometrie en, in mindere mate, bij de behandeling
van antennes. Zie ook "steriadiaal".
Een naar alle kanten uniform stralende bron met een vermogen
van 1 Watt, produceert een stralingsintensiteit van:
P/(4*pi) = 1/4pi W/sr.
In dit geval overeenkomend met 80 mW/sr. Het getal neemt
niet af met toenemende afstand omdat het een vermogen per
ruimtehoek betreft.
Er geldt:
PFD = U/r2
waarin: PFD = vermogensdichtheid in W/m2, U = de
Stralingsintensiteit in een bepaalde richting, in W/sr, r =
de afstand tussen bron en het waarnemingspunt in die
bepaalde richting, in m.
Take Off Angle, TOA
De hoek ten opzichte van het aardoppervlak waaronder de
meeste energie uitgestraald wordt. Het begrip komt overeen
met de elevatie waaronder de meeste energie uitgestraald
wordt. Begrip wordt vooral gebruikt in geval van HF
communicatie. Om via Ionosferische reflectie een bepaald
gebied te bereiken is naast de frequentiekeuze ook de hoek
waaronder de antenne uitstraalt van belang.
Grote afstanden (boven 3000 km) vereisen een kleine take off
angle, afstanden beneden 1000 km welke via de ruimtegolf
overbrugt dienen te worden vereisen in de regel een grotere
take off angle. Afstanden in orde van 100 km, welke niet met
de grond golf te overbruggen zijn, vereisen nagenoeg
verticale opstraling (90 graden take off angle).
Troposcatter
Zie ook ionosferic scattering.
In de troposfeer (dat is dat gebied van de atmosfeer waar
ons weer zich afspeeld, hoogte tot 13 km) kunnen ten gevolge
van turbulenties, brekingsindex verschillen ontstaan (lokale
temperatuur, druk, en vochtigheidsverschillen op ongeveer 10
km hoogte). Deze onregelmatigheden zorgen ervoor dat een
stralenbundel van geschikte frequentie iets uiteenwaait
(doch wel zeer onregelmatig, net als een lichbundel in een
verticaal opsteigende warme luchtstroom). Indien een bundel
onder zeer lage hoek uitgestraald wordt, is een geringe
uitwaaiing in orde van 10 graden voldoende om een gedeelte
van de straling weer terug te krijgen op aarde.
Troposcatter systemen maken van dit principe gebruik. De
demping is echter hoog (het scattereffect is erg zwak) en
het golffront na reflectie is onregelmatig waardoor de
effectieve gain van de antennes ver achter blijft bij de
maximale gain. Frequenties hoger dan 500 MHz worden
toegepast in combinatie met antennes met effectieve
oppervlakten van 10m2 of meer (militaire systemen). Door de
10km hoogte waarop de scattering plaatsvindt zijn in de
praktijk afstanden in orde van 400km overbrugbaar.
Commerciële toepassingen zijn er niet.
Terug naar TeTech
Troposferic Propagation
Troposferic Propagation is de verzamelnaam voor alle
propagatieverschijnselen welke zich voor kunnen doen tussen
de aarde en de top van de troposfeer. In de troposfeer
speelt zich ons weer af en deze heeft een top van ong 15 km.
Hieronder vallen: Ducting, troposcatter, groundgolf
propagatie, superrefraction, etc.
Tweestralen propagatiemodel
Het twee stralenmodel is een model om de overdracht tussen
twee antennes uit te rekenen waarbij in de overdracht alleen
de via de op aarde gereflecteerde golf (reflectiecoëfficient
= -1) en de direct zicht golf betrokken wordt. Vandaar de
naam tweestralenmodel.
Er geldt: PTX/PRX = h12*h22
/r4
Indien 2*h1*h2 /r < 0.15*lambda (zo
niet, ga dan uit van vrije veld overdracht, of gebruikt de
volledige formule zonder sinusbenadering). Er is uitgegaan
van twee isotrope antennes, correctie voor de daadwerkelijke
gain is dus noodzakelijk.
Resultaten komen het beste overeen met de praktijk indien de
afstand tussen de antennes aanmerkelijk kleiner is dan de
som van de radiohorizon voor beide antennes. Men dient de
hoogtes niet te corrigeren voor aardkromming(dus gebruik de
gemiddelde terreinhoogte). Deze formule is in het geheel
onbruikbaar indien oppervlaktegolf propagatie dominant is
(zoals bij middengolf- en lange golfzenders).
Het tweestralen model gaat er vanuit dat de gereflecteerde
golf in tegenfase is met de direct zicht golf en even sterk
is als de direct zicht golf. Dit gaat niet op voor
frequenties in het MF gebied in geval van verticale
polarisatie. In dat geval is de oppervlaktegolf component
dominant. Als verticale golven onder een hoek invallen in de
buurt van de brewster angle, is de gereflecteerde golf sterk
verzwakt. Dit doet zich onder meer voor dicht bij hoge
antennemasten. Pas dus op met het zomaar toepassen van dit
model.
Het afnemen van de overdracht als functie van 1/r4
komt ook naar voren in veel propagatiemodellen op basis van
empirische of semi-empirische resultaten.
Terug naar TeTech
UTC, Greenwich Mean Time GMT
Dit is de tijd op de nulmeridiaan (welke door het Engelse
Greenwich loopt). De aanduiding is UTC (Uniform Time
Coordinate, TUC in landen met romaanse taal [spaans, frans,
italiaans, etc]). De oude benaming is GMT (Greenwich Mean
Time). Deze tijd is vast en kent dus geen zomer of
wintertijd.
Landen welke ten oosten van de nulmeridiaan liggen (Europa,
Azie), hebben een locale tijd welke vóór loopt op UTC.
Landen ten westen van de nulmeridiaan (N en S Amerika,
Groenland) hebben een locale tijd welke achter loopt op UTC.
De tijdzones worden ook met letters aangeduid (militair,
wordt in de civiele wereld niet gebruikt). UTC is daarbij de
Z tijd (Zulu time). De Nederlandse wintertijd (UTC+1) is
hierbij Alpha Time. Nederlandse zomertijd (UTC+2) is Bravo
time. De letters worden achter de 24 uurs tijdsaanduiding
geplaatst. 1 uur nederlandse zomertijd komt overeen met
13.00B (komt overeen met 11.00Z = 11.00UTC). De letters I en
O worden overgeslagen (om verwarring met de "een" en "nul"
te voorkomen).
Terug naar TeTech
Vergelijkingen van Maxwell, Maxwell's equations.
De vergelijkingen van Maxwell zijn 4 wiskundige
vergelijkingen welke het gedrag van het E- en H-veld
beschrijven zoals dat optreedt in het vacuüm, isolatoren en
(half)geleiders. Zij beschrijven ook de wederzijdse
wisselwerking tussen het E- en H-veld. Zij zijn officieel
gepubliceerd in 1873.
De grote verdienste van James Clerk Maxwell voor EM-veld
theorie, is de eerste wet van Maxwell. Deze zegt dat, naast
bewegende elektronen, ook een wisselend elektrisch veld in
vacuüm een magnetisch veld opwekt. Het opgewekte H-veld is
recht evenredig met de capacitieve stroom
(verplaatsingstroom, verschuivingstroom,
doorschuivingsstroom). De doorschuiving tussen twee platen
is gelijk aan:
Verplaatsingstroom = Epsilon * Aplaat * dE/dt.
E = elektrische veldsterkte in V/m, Epsilon = diëlektrische
permittiviteit in F/m, Aplaat = oppervlak van een van de
twee platen waartussen het E-veld zich bevindt in m2.
Door deze toevoeging aan het verband tussen magnetisch veld
en elektrische stroom, wordt beschreven dat ook in het
vacuüm energie in het E-veld kan overgaan naar energie in
het H-veld en omgekeerd. Het kunnen overgaan van
"potentiële" energie (E-veld) naar "kinetische" energie
(H-veld) en omgekeerd, is een voorwaarde voor het kunnen
ontstaan van oscillatie en golven.
Maxwell beschreef hiermee het bestaan van radiogolven reeds
voordat Heinrich Hertz (1888) en Tesla (1893) deze
doelbewust opwekten en detecteerden.
Vermogensdichtheid, Power Flux Density (PFD).
De vermogensdichtheid is de hoeveelheid golf- of
stralingsenergie welke per seconde per m2
passeert door een vlak loodrecht op de
golfuitbreidingsrichting (de voortplantingsrichting). De
eenheid is W/m2. Dit begrip wordt gebruikt overal
waar stralings/golfverschijnselen optreden (akoestiek,
optica, elektromagnetische velden). Verwar het begrip
vermogensdichtheid van een stralingsveld niet met het begrip
stralingsintensiteit.
Een naar alle kanten stralende bron met een vermogen van 1
Watt, produceert op een afstand van 10 m een
vermogensdichtheid van P/(4*pi*r2). In dit geval
overeenkomend met 800uW/m2.
Door een oppervlak van 0.1m2, passeert in dit
geval 80uW. In de regel neemt voor vrije veld situaties de
vermogensdichtheid met 75 procent af, per verdubbeling van
de afstand tot de bron.
De grootte en richting van de vermogensdichtheid wordt
gevonden door het uitwendig product van de E en H component
waaruit het Electro Magnetisch veld opgebouwd is (de
poynting vector).
Zie ook Stralingsintensiteit (Radiation Intensity).
In de radiometrie wordt de vermogensdichtheid op een vlak
aangeduid met: bestralingssterkte, stralingsfluxdichtheid
(eng: Irradiance, Irradiated flux density), symbool E [W/m2].
Hoewel de eenheden hetzelfde zijn als van het begrip
vermogensdichtheid, zijn het verschillende begrippen.
Vermogensdichtheid zegt iets over de bron,
Bestralingssterkte zegt iets over hoeveel straling op een
vlak terecht komt. Kortom er wordt bedoelt het aantal W/m2
dat op een vlak terecht komt en niet de sterkte van de bron
boven het vlak. Als alle straling langs een vlak gaat, is de
bestralingssterkte namelijk 0, ondanks dat de bron een hoge
stralingssterkte kan hebben (cosinuswet).
In de verlichtingstechniek (fotometrie) wordt een
soortegelijk begrip gebruikt (maar wat meestal niet
overeenkomt met de vermogensdichtheid van de op een vlak
invallende straling). Het betreft de verlichtingssterkte (Ev
in lx, lm/m2). Ook hier betreft het het effect van het licht
op het vlak, en dit hoeft niet gelijk te zijn aan de sterkte
van de bron boven het vlak.
Verstrooiing, Scattering.
Indien een stralenbundel een medium of object passeert en
een gedeelte van de straling wordt in diverse andere
richtingen heruitgezonden, dan spreekt men van scattering of
verstrooiing. In het geval van scattering is meestal sprake
van een combinatie van refractie, diffractie, reflectie en
absorptie. Ook reflectie of diffractie welke om wat voor
reden dan ook sterk tijdafhankelijk is, wordt aangeduid met
het begrip scattering.
Alle constructies welke veel kleiner dan een golflengte zijn
en andere eigenschappen hebben dan lucht, verstrooien de
straling. Een mooi voorbeeld is rook in een lichtstraal
welke niet het oog treft. Door de verstrooiing van een klein
gedeelte van de stralenbundel door de rook, bereikt een
gedeelte van het ligt het oog en kan men toch zien waar de
straal loopt. Scattering vindt ook plaats op opjecten welke
veel groter dan de golflengte zijn en grillige vormen
hebben. Denk bijvoorbeeld aan overvliegende vliegtuigen. Via
vliegtuigreflectie is eveneens communicatie mogelijk. Door
de vlieghoogtye (max 13 km) is dit beperkt tot in orde van
400 km.
In de atmosfeer treden op grote schaal veranderingen van
brekingsindex op. Denk aan wolken. Door het vocht is onder
andere de brekingsindex groter (waardoor golven iets minder
snel gaan dan door droge lucht). Het golffront wordt dan
afgebogen maar er treedt eveneens hertransmissie op in
richtingen welke niet echt voorspelbaar zijn.. Sterke
scattering kan optreden in regen of hagelbuien. Scattering
in de bovenste lagen van de troposfeer maken lange
afstandscommunicatie mogelijk over afstanden in orde van 400
km.
Scattering in media welke sterk in beweging zijn
(turbulentie in wolken, regen, hagel, aluminium sliertjes (chaf))
hebben sterk tijdafhankelijk eigenschappen. Zowel de
amplitude van de ontvangen golf als de fase ondergaan sterke
veranderingen (dit uit zich in fading). Deze fading kan ten
gevolge van de snelle veranderingen dusdanig snel zijn dat
de amplitude en faseveranderingen in het audio gebied
terecht komen. Een in eerste instantie strak klinkend
signaal, gaat dan bijzonder ruiserig klinken.
Terug naar TeTech
Vlakke Golven, Plane Waves.
Een vlakke EM golf is een EM golfverschijnsel waarbij de E
en H component haaks op elkaar staan en in de tijd gezien in
fase zijn. E en H staan loodrecht op de
golfuitbreidingsrichting. Overal in het gebied van de vlakke
golf is de sterkte van de golf gelijk.
Onder een karakteristiek afgesloten striplijn, waarvan de
breedte veel groter is dan de hoogte, bevindt zich bij zeer
goede benadering een verticaal gepolariseerde vlakke golf.
De E veldlijnen staan verticaal en H veldlijnen lopen
horizontaal tussen de platte geleiders door. Voor een vlakke
golf in lucht geldt dat E/H=377 Ohm voor de
vermogensdichtheid (phi.P) geldt Phi.p=0.5E*H (E en H zijn
veldamplituden).
In principe produceert een antenne een sferisch veld (de
veldlijnen lopen bolvormig). Echter indien de afstand tussen
de zendantenne en het volume waarin de golf vlak dient te
zijn veel groter is dan de afmetingen van het volume, dan is
de golf als vlak te beschouwen. In de praktijk is het
opwekken van een vlakke golf in een groot volume lastig,
omdat men vaak ook te maken krijgt met reflecties.
Terug naar TeTech
Voortplantingssnelheid, Phase Velocity
Dit is de snelheid waarmee een golfverschijnsel zich
uitbreidt. De eenheid is m/s, als symbool wordt meestal c
gebruikt (c0 voor de lichtsnelheid in vacuüm). De
snelheid wordt bepaald door de eigenschappen van het medium.
In geval van geluid geldt hoe lager de soortelijke massa, en
hoe hoger de elesticiteitsmodulus of lineaire
samendrukbaarheid, hoe hoger de voortplantingssnelheid (c =
sqrt{E.modulus/soort.massa}) in geval van longitudinale
golven (dus geen golven op het wateroppervlak). In lucht is
c in orde van 330m/s, in water in orde van 1500 m/s in staal
of aluminium 5100m/s (afhankelijk van de vorm). De
golflengte wordt gevonden door middel van lambda = c/f
Voor EM golven geldt voor media met frequentieonafhankelijke
diëlectrische constante en magnetische permeabiliteit: c=c0/sqrt{diel.const.*magn.permeab}
Voor het vacuüm komt dit neer op ongeveer 299.7*106
m/s (3*108 m/s, bij benadering gelijk aan c0).
Het begrip wordt ook gebruikt voor gebonden golfuitbreiding
(coaxiale kabels, striplines, golfpijpen, oppervlakte
golven, etc).
Eigenlijk kan men slechts van een voortplantingssnelheid
spreken, als amplitude of frequentievariaties net zo snel
gaan als de golven waarop zij gemoduleerd zijn. De snelheid
van het golfverschijnsel vindt men door: c=lambda*freq. Dit
gaat op voor EM straling in niet geïoniseerde obstakelvrije
media, striplines, coaxkabels, etc. Voor geluid gaat dit op
voor praktisch alle vaste stoffen en vloeistoffen. In
dergelijke gevallen gedraagt het medium zich als een "echte"
vertragingstijd met een vertragingstijd ter grootte van de
te overbruggen aftand gedeeld door c (m/(m/s)=s hetgeen tijd
is). Het signaal aan de uitgang heeft dan exact dezelfde
vorm als het ingangssignaal (meestal alleen lager in
amplitude). Zie ook fasesnelheid en groepsnelheid.
Vrije veld, Free Space.
Men spreekt ingeval van golven van een vrije veld situatie
als uitsluitend de direct zicht straal ongehinderd de RX
antenne kan bereiken. In dat geval neemt het door de RX
antenne afgegeven vermogen af met r2 (indien men
zich in het verre veld bevindt). Er geldt dan:
PRX/PTX = GTXi*GRXi*lambda2
/ (4*pi*r)2.
Voor de veldsterkte op een zekere afstand geldt:
E[V/m] = 5.5 *sqrt(GTXi * PTX[W]) /
r[m].
De gain van de antennes dient als factor ingevuld te worden,
dus niet in dB's.
Deze formule kan men gebruiken voor een allereerste ruwe
inschatting voor als men zich relatief dicht bij de
zendantenne bevindt. Voor de antennegain dient u te
gebruiken de gain in de richting waar u zich bevindt (deze
hoeft niet gelijk te zijn aan de maximale gain).
Uit de definitie van het vrije veld blijkt het verschil
tussen de definities verre en vrije veld. De verre veld
afstand wordt bepaald door de antenneafmetingen en
golflengte, het vrije veld zegt uitsluitend iets over de
propagatieomstandigheden.
Terug naar TeTech
Zonnevlekken, Sun Spots
Zonnevlekken zijn daadwerkelijk vlekken op de zon welke door
middel van speciale opnameapparatuur gefotografeerd kunnen
worden. Deze zonnevlekken stralen echter sterker dan het
normale zonoppervlak. De zon is de energiebron voor de
ionisatiegraad van de ionosfeer. Veel zonnevlekken zorgen
voor sterke ionisatie in de ionosfeer waardoor HF
communicatie op relatief hoge frequenties mogelijk is. In
tijden van weinig zonnevlekken is op het hoge deel van het
HF spectrum (20-30 MHz), minder goede communicatie mogelijk.
De zonnevlekken tonen een regelmatig minimum en maximum met
een periode van ongeveer 11.1 jaar. De sterkte van de
zonnevlekken wordt aangegeven door het "sun spot number". U
heeft dit getal nodig indien u gebruik maakt van HF
propagatiesoftware. Het sun spot number (dat in de tijd
gezien sterk varieert) is van diverse internet sites te
halen.
Terug naar TeTech
|
|
| bron http://www.tetech.nl/begripAP.htm |
| |
|